De spijker op zn kop

image

Advertenties

Muts met touwtjes

Mijn zusje vroeg zich laatst hardop af of het minder erg is om dingen aan je voorbij te laten gaan als je toch weet dat je het niet kunt. Als je weet dat je er de energie niet voor op kunt brengen. Het tegenovergestelde is waar. Het voelt namelijk alsof ik het wél kan. Mijn lijf vóelt alsof het alles aankan en als ik gewoon rustig thuiszit, voelt mijn hoofd soms ook zo. Ik vind het verschrikkelijk moeilijk dat iedereen leuke dingen doet – uitgaat, danst, feest, sport, werkt – en dat ik thuis uit het raam zit te kijken.

Ik zat namelijk nooit stil. Ik werkte, sportte zoveel als ik kon, ik wilde een blinkend schoon huis, ik wilde vrienden zien, mijn vriendje zien, naar familie, het nieuws bijhouden, festivals bezoeken, tentoonstellingen in musea zien, iedere week nieuwe schoenen kopen. Ik was zo druk bezig dat ik mezelf regelmatig voorbij rende.

Nu is daar niets van over. Ik zit op de bank en ik haak. Zoals Lars het zegt; ik ben een muts met touwtjes. Ik baal ervan dat ik niet meer ‘meedoe’. Ik voel me niet nuttig en het voelt alsof ik van alles mis. Er zou een oorlog uit kunnen breken en ik zou het pas een maand later merken (of wanneer vijandelijke troepen door mijn straat zouden marcheren, maar laten we eerlijk zijn; waarom zouden ze dát nou weer doen?) Omdat ik op de bank zit. En haak.

image

Kaakchirurg

Ik was de laatste tijd zo druk bezig met het werken aan mijn hoofd, dat ik bijna vergeten was dat er ook nog een ingreep bij de kaakchirurg op me lag te wachten. Bijna, want iedere ochtend dat ik mijn gebitje weer in mijn mond moest wroeten, werd ik er weer even aan herinnerd.

Gister was het zo ver. Ik ging voor ingreep 1 van de 3. Er zou bot van de plaats van mijn verstandskies ‘geoogst’ worden en dat zou vervolgens, samen met ‘nepbot’ geplaatst worden op de plek waar mijn voortand ooit zat en waar de kaak nu langzaamaan aan het oplossen was. Dit was nodig om in een later stadium een implantaat te kunnen planten.

‘Is het te laat voor volledige narcose?’  grapte ik nog half-serieus. ‘Helaas wel,’ antwoordde de kaakchirurg eveneens grappend. ‘De anesthesist heeft net ontslag genomen.’ Het scheelde dat ik de man een aardige vent vond. Hij is benaderbaar en komt sympathiek over. Anders dan de neuroloog in het Haga Leyweg. Hij belichaamde in mijn ogen alles waar een arts aan behoort te voldoen, inclusief onleesbaar handschrift. Hij sprak uitsluitend jargon, alsof hij op die manier wilde bewijzen dat hij wist waar hij het over had. Voor mij had hij zich die moeite mogen besparen. Dat je in een witte jas in het ziekenhuis werkt, is voor mij al reden genoeg om onder de indruk te zijn. Gelukkig was mijn moeder mee, die spreekt nog een aardig woordje Ziekenhuisiaans. Maar ik begrijp niet waarom zo’n man dan ‘een X’ moet zeggen als ‘röntgenfoto’ de boel in 1 keer duidelijk maakt. En ik vind mezelf nog redelijk intelligent. Als mijn hersens eenmaal zover zijn, kan ik heus beredeneren dat ‘X’  waarschijnlijk komt van ‘X-ray’. Maar wat moet je met zo’n man als je het IQ van een aardbei hebt? Dan kan zo’n dokter toch net zo goed een ingewikkeld Chinees dialect spreken? Ik begrijp dat slecht. Een (niet geheel onbelangrijk deel) van het vak is toch ‘met mensen omgaan’? Leren ze dat dan niet op hun opleiding? Het lijkt mij net zoiets als het onderwijs. Als je ‘niet zoveel met die leeftijd’ hebt, zoals een studiegenootje van mij ooit bekende na een uit de hand gelopen les, dan heb je er toch eigenlijk niets te zoeken?

De kaakchirurg had in ieder geval wel opgelet bij ‘communiceren met patiënten 1.0’. Een vriendelijke man die stapje voor stapje uitlegde wat hij aan het doen was. Dat was prettig, want er lag een blauw operatiekleed over mijn ogen en ik had mijn oordoppen in. Ik was ver weg van alles wat er gebeurde in mijn mond. Hij opende eerst ‘het gat’ om te kijken hoeveel bot er straks nodig was. En toen stopte hij. ‘Wel heb ik… Ik wil je niet blij maken met een dode mus, maar ik denk dat we nog genoeg bot hebben om het schroefje er zo al in te draaien!’ Aangezien ik het afgelopen jaar van slecht nieuws naar slecht nieuws ben gehobbeld, kon ik wel janken van opluchting. Stap 1 van De Grote Ingreep kon overgeslagen worden. Geen vier tot zes maanden genezen tot de volgende ingreep pas plaats kon vinden. Eindelijk ging er eens iets goed! Ik kon de man wel zoenen, ware het niet dat mijn bovenlip onderhand zo dik opgezwollen was dat ik er met moeite overheen kan kijken.

En dat is waar ik me nu bevind. Met een cocktail aan pijnstillers en antibiotica, een speciaal mondspoelmiddel en een belachelijk dikke bovenlip. Maar wel een half jaar voor op schema. Dat dan weer wel. :)

 

20140523_09193720140523_092004

Yvette

Een tijd geleden nam een oud-teamgenootje contact op. Dat zij ook iemand kende die een vervelend ongeluk had gehad en dat als ik daar behoefte aan had, we weleens konden kletsen samen.

Ik had er geen behoefte aan. Lange tijd wist ik niet wat ik ‘had’. Ik was alleen maar bezig met beter worden, mijn leven weer oppakken, normáál zijn. Ik wilde mezelf niet bij een groepje zielepoten scharen. En in mijn achterhoofd speelde ook nog altijd de gedachte: bij mij is het niet zó erg, ze zien me aankomen, in vergelijking met hen ben ik vast een aansteller.

Onderhand weet ik wel dat ik me niet aanstel (wat nog niet wil zeggen dat ik dat altijd zo vóel) en blijk ik bij een bijzondere club te horen; de lotgenoten. Ik dacht altijd dat lotgenoten synoniem was voor jankeballen. Dat het mensen waren die in het verleden leefden, die een ongezonde dosis zelfmedelijden aan de dag brachten en bij elkaar kwamen in praatgroepen om tegen elkaar op te bieden wie het ellendigst en zieligst was.

Niets is minder waar. Het is ontzettend fijn om te praten met iemand die wel precies weet wat je doormaakt. Die het onbegrip kent wat je tegenkomt, die begrijpt hoe ontzettend stom het is om je terug te moeten trekken uit het leven en je volledig op jezelf te moeten richten, op het Nu. Omdat ‘het Nu’ regelmatig gewoon ontzettend klote is en mensen stomme opmerkingen kunnen maken die op geen enkele manier helpen. Die snapt dat je sommige dingen wel kunt en andere niet zonder dat je daar een hele verdediging bij hoeft te geven. En waar je mee kunt lachen over alle rare en gekke dingen die je nu ineens meemaakt waarvan je voor het ongeluk het bestaan niet kende.

Ik vind het niet meer erg om een ‘lotgenoot’ te zijn. Het zijn geen zielepietjes die alleen maar klagen en zeuren (of nou ja, niet allemáál). Ik begrijp dat mensen die iets meemaken graag steun zoeken bij elkaar. Het is moeilijk hulp te vragen en toe te geven dat het alleen niet gaat. Want je bent pas lotgenoot als je iets naars meemaakt. Het feest der herkenning is pas echt een feest als je iets hebt dat afwijkt van de norm.

Yvette was vanmiddag op bezoek. En ik kan er voorlopig weer even tegenaan.

image

Slaap kindje slaap

Lars is een fantastische vriend. Iedere dag weer ben ik blij als hij thuiskomt. We kenden elkaar nog niet zo lang toen het ongeluk gebeurde en ik compleet veranderde. Ikzelf wist na een week of drie al dat Lars het voor mij was, maar hij kreeg van de één op de andere dag een totaal andere vriendin.

Hij doet het geweldig. Lars weet me iedere dag weer aan het lachen te krijgen, hoe stom die dag ook is. Hij neemt het serieus zonder het zwaar of zielig te maken. Er is alleen één klein dingetje…

Lars is nogal een bazige verzorgende.

Sinds het ongeluk slaap ik slecht. Ik kwam altijd al slecht in slaap, maar nu is mijn hoofd zó druk met verwerken dat ik uren later nog niet slaap. Als ik me bijvoorbeeld heb laten gaan op Funda ben ik de hele nacht bezig met badkamers. Laatst schoten er uren achter elkaar verschillende kleuren blauw door mijn hoofd. Ik krijg mezelf niet ontspannen genoeg om te slapen. En als ik dan eindelijk slaap, word ik twee uur later weer wakker om het nog eens dunnetjes over te doen.

Direct na het ongeluk sliep ik veel, ook overdag. Lars droeg er als een drilsergeant zorg voor dat dat gebeurde. ‘Tukkie doen!’ riep hij dan, of simpelweg: ‘Bed!’. Maar naarmate ik mijn leven weer steeds normaler probeerde te gaan leven, kwam dat middagdutje te vervallen. Lars kon roepen wat hij wilde, de huisarts had gezegd dat ik mijn dag- en nachtritme niet door elkaar moest gooien. En ik sliep al zo slecht ’s nachts. Lars was het hier uiteraard niet mee eens en bleef me bevelen te rusten. Maar erg goed luisteren deed ik niet meer…

In het revalidatiecentrum waren ze het totaal niet met de huisarts eens. Dat ik zo onrustig ben ’s avonds komt volgens hen omdat mijn hoofd té moe is, nog téveel bezig met verwerken. Ik moet van hen juíst een uurtje slapen ’s middags. Dat komt mijn nachtrust ten goede en de invulling van mijn dagen ook. Ik moet het inplannen als een taak. Dempen, ontspanningsoefeningen en slapen. Op dokters voorschrift.

Dus hier komt het. En ik zeg dit eenmalig, er vallen geen rechten aan te ontlenen, het is alleen op deze situatie toepasbaar en ik zeg het alleen omdat ik weet dat Lars mijn blog niet leest:

Je hebt gelijk, lief.

PicsArt_1392754951458