Huizenjacht

Het was helemaal niet de bedoeling dat Lars bij mij kwam wonen. Niet dat we het niet fijn hebben samen (hoewel ik natuurlijk alleen maar voor mijzelf kan spreken), maar dit was niet het plan. De bedoeling was om elkaar eens rustig beter te leren kennen en dan samen een nieuw huisje te zoeken. Wat Lars betreft had mijn huisje net zo goed in Noordoost Groningen kunnen staan en ik wilde iets van óns zoeken, niet van mij. Maar ik kreeg het ongeluk en Lars kwam toevallig tegelijkertijd zonder werk te zitten. Hij kon voor mij zorgen en is gewoon nooit meer terug naar huis gegaan. Dus na koud een half jaar bij elkaar, woonden wij ineens samen.

Je kunt alles willen plannen, maar zo werkt het leven niet.

Eigenlijk zou het fijn zijn als we gewoon konden blijven zitten waar we zitten. Het laatste wat ik nu kan gebruiken is een verhuizing. Maar dit huis is niet meer praktisch. Ik kan nu tientallen redenen op gaan noemen waarom we willen vertrekken (waar Lars waarschijnlijk nog wel wat aan toe te voegen heeft), maar het belangrijkste is mijn gezondheid. We wonen zo ongeveer in het gehorigste huis op aarde en boven ons wonen de meest bizarre mensen ter wereld. Kinderen. En een infantiele moeder met anger issues. Het dagelijkse gestamp, gebonk, gegil en gekrijs is zó hard, dat ik regelmatig met mijn zwaarste oordoppen in wegduik op de bank. Of het huis ontvlucht. Ik heb rust nodig om de overprikkeling (zo veel mogelijk) kwijt te kunnen raken. En op dit moment kan ik die rust thuis niet vinden.

Dus gaan we op huizenjacht. En de eisen zijn specifieker dan ooit. Waar het vroeger ‘meer ruimte, zonnig balkon en oh ja – een vaatwasser’ was, is het nu belangrijk dat we in een rustige straat gaan wonen, zonder bovenburen, zonder trams en zwaar verkeer voor de deur. Met een beperkt budget is dat een behoorlijke uitdaging. Maar we gaan hem aan.

Een nieuw huis, wat we echt sámen in kunnen richten en eigen kunnen maken. Waar ik tot rust kan komen en we deze nare periode voor een deel achter ons kunnen laten, de toekomst tegemoet.

Het jachtseizoen is geopend!

IMG_999540812102048-1

 

Nooit meer ‘ff’

Ik denk regelmatig als ik wakker word: ‘Eerst ff ontbijten, dan ff de was opvouwen, ff wat opruimen en dan maar eens lunchen’. Om uiteindelijk als een kip zonder kop door het huis te drentelen en geen van die dingen te doen. Volgens de ergotherapeut komt dat omdat er bij mij waarschijnlijk een schakeltje kapot is tussen waarnemen en herinneren aan de ene kant en plannen en uitvoeren aan de andere. Maar het komt volgens hem ook omdat ik dingen snel wil doen. En snel is uit den boze.

“Iedere keer dat jij denkt ‘ff dit, ff dat’, dwing je je hoofd tot haast. Dat vraagt heel veel energie en dus maak je grotere kans op fouten. En als je fouten maakt, moet je de flexibiliteit in je hersenen aanspreken om dat op te lossen. En die heb je op dit moment niet. Probeer alles te plannen en niets meer ‘tussendoor’ te doen. Haast is niet goed. Nooit meer ‘ff’.”

En dat klinkt heel logisch en aannemelijk. Dat heb ik met alles wat die man zegt. Hoe vaak ik niet ‘duh!’ denk als hij een tip geeft om het leven makkelijker te maken. Iets simpels als vijf minuten op de wc zitten als er ergens geen plaats is om rust te nemen, een timer zetten als ik afspreek met vriendinnen, tussen de middag een uurtje rusten. Duh! Allemaal volstrekt logisch, maar ik was er zelf niet op gekomen. Boodschappen doen was een hel, ik raakte bijna in paniek van alle kleuren, herrie, mensen, spullen en ik rende zo hard mogelijk door de supermarkt. Waardoor ik natuurlijk alles vergat en weer terug moest. Hij gaf mij de opdracht om met oordoppen in op een rustig tempo met een standaard boodschappenlijst te gaan. En om alle boodschappen die koud opgeborgen moeten worden in één tas te doen. Zo hoef ik thuis alleen even die tas op te ruimen waarna ik even kan rusten. Duh!

De SI therapeute zet me ook op een ‘sensorisch dieet’. Ik moet proberen om zo min mogelijk prikkels binnen te krijgen waar mogelijk, zodat ik die energie overhoud om andere dingen te doen. De zonnebril en oordoppen helpen daar al voor en op sommige dagen houd ik gewoon de gordijnen dicht. En sinds kort douche ik met een washandje om de douchekop. Zo voel ik niet iedere straal individueel, maar gewoon 1 dikke ‘blubber’ en dat scheelt. Ook heb ik een douchekrukje aangeschaft. Ik hoef nu minder te draaien en verstappen, waardoor mijn evenwicht minder hoeft te doen. Lars noemt het ‘retard douchen’, maar het werkt. Ik begin de dag al met meer energie.

Allemaal ontzettend handige tips die mijn leven een stukje makkelijker maken. Maar dat maakt het nog niet makkelijk me er altijd aan te houden. Ik blijf weerstand voelen bij het feit dat al deze aanpassingen blijkbaar nodig zijn bij mij. Ik wil niet bijzonder zijn. Ik wil gewoon een normáál leven leiden, zoals normále mensen. Dat ik me zo braaf aan alle regeltjes en afspraken probeer te houden, gaat niet vanzelf en levert regelmatig strijd in mijn kop op. Soms voelt het alsof ik me eraan overgeef. Dat als ik me erbij neerleg, ik niet meer mijn best hoef te doen om ‘beter’ te worden (wat dat dan ook moge zijn). Een mooie spreuk bij de ontspanningsfysio helpt me hier een beetje bij:

‘Acceptatie is nog geen overgave ~ het is meegaan in het moment.’

 

8b2bbb53d362669be420ff13a4a268ae

De arbeidsdeskundige

“Bereid je erop voor dat dit een vervelende periode wordt.” drukte mijn directeur me op het hart. “Voor die grote instanties ben je een dossiernummer. Ga ervan uit dat er voor emoties geen plaats is.”

Met die woorden in mijn herinnering gegrift, slofte ik met lood in mijn schoenen naar het arbeidsdeskundig onderzoek. Spoor 0 re-integratie (terugkeren in mijn oude functie met mijn oude belasting) was officieel een afgesloten hoofdstuk. De mevrouw die ik tegenover mij kreeg, zou onderzoeken welke mogelijkheden ik arbeidstechnisch nog wel had.

Nu heb ik het afgelopen jaar gemerkt dat maar weinig mensen echt kaas gegeten hebben van NAH. Omdat ik er normaal (of in ieder geval niet gekker dan vroeger) uitzie, het eerste kwartier een bijzonder intelligente indruk kan maken tijdens een gesprek en mijzelf systematisch overschat, zijn mijn problemen lange tijd niet erkend. Zoals de bedrijfsarts zei; “Gewoon even doorzetten. Steeds iets meer doen. Je grens verleggen.” Nu weet ik dat dát het domste is wat je kunt doen met hersenletsel. En ook dat mijn bedrijfsarts dus geen flauw benul heeft waar hij over praat. Vergeef me mijn scepsis, maar ik had vooraf dus ook niet bijzonder veel vertrouwen in de arbeidsdeskundige.

Terwijl ik er zat verwonderde ik mij over de situatie. Anderhalf jaar geleden had ik vaag van het begrip ‘bedrijfsarts’ gehoord. Het woord ‘arbeidsdeskundige’ kwam niet in mijn vocabulaire voor, laat staan dat ik wist dat er bij re-integratie gewerkt wordt met drie sporen. Het lijkt soms of ik in een parallelle wereld terecht ben gekomen. Een universum naast het Gewone Leven.

Het viel me honderdduizend (en twaalf) procent mee. Deze mevrouw had verstand van wat ze deed. Deze mevrouw had vaker met ‘mensen zoals ik’ gewerkt. En ze begreep mijn weerstand. Ik ben pas net bezig met revalideren. Ik boek vooruitgang, maar die is nog pril. Ik begrijp dat de wet de wet is en dat er na 1 jaar geëvalueerd dient te worden. Maar het voelt verkeerd nu al deuren te sluiten. Het voelt niet goed nu al te zeggen dat ik een nieuwe werkgever moet zoeken als ik nog niet weet welke winst er binnen de revalidatie te behalen valt. Gelukkig begreep zij dit. Ze stelt in haar rapport dat er gekeken moet worden naar zowel interne als externe re-integratie. Maar ze drukte mij op mijn hart dat ik aan het idee moet gaan wennen dat school een afgesloten hoofdstuk is. Dat ook de deur van spoor 1 potdicht en op slot zit.

“Je wordt uiteindelijk veel gelukkiger van een nieuwe start, dan dat je hier op school in een stil kantoortje toe kunt kijken op je oude leven.”
Ja. Daar had ze dan ook weer gelijk in…

8a6e5063f3a2a971aa61dffbb289ea0c

‘Maar wat vóel je dan?’

Zomaar een willekeurig gesprek dat ik vaak voer:
‘Hoi! Hoe gaat het?’
‘Goed hoor. Vandaag is alleen niet zo’n beste dag.’
‘Wat heb je dan? Hoofdpijn?’
‘Ja… een beetje… óók…’

Ik merk dat ik hier veel schrijf over welke gevolgen mijn klachten voor me hebben, maar eigenlijk nooit over wat die klachten nu precies zijn. Gelukkig maar, want ik geloof nooit dat er dan nog iemand dit blog zou bezoeken. En mijn klachten zijn zo vaag. Het is méér dan een beetje hoofdpijn, méér dan wat oververmoeid. Het beperkt me in het uitvoeren van de meest eenvoudige taken. En toch blijf ik het moeilijk vinden het te omschrijven.

Ik heb hoofdpijn. Ja absoluut. Zeker als ik teveel gedaan heb, een te ingewikkelde taak op me heb genomen of stress voel. Maar niet elke dag, de hele dag. Ik kan me niet concentreren, mijn gedachten vliegen van de hak op de tak en ik kan ze niet filteren. Fel licht doet pijn aan mijn ogen, harde geluiden aan mijn oren. Die laatste gaan suizen en zoemen en dan is het nooit meer stil in mijn hoofd. Van het zien van veel verschillende kleuren en drukke patronen word ik misselijk (ik begrijp ook nu pas de mensen die in eerste instantie bedenkingen hadden bij mijn behangkeuze), van het horen van geluid zonder beeld ook. Ik kan niet snel genoeg meer nadenken, dus ik mijd drukke plaatsen waar ik veel moet anticiperen en ik snap programma’s als CSI niet meer. Tijdens gesprekken probeer ik op te letten, maar vaak ben ik meer aan het opletten of ik oplet, dan dat ik het gesprek echt volg. Mijn hoofd is ontzettend snel ‘moe’. Ik kan een hele tijd meedoen alsof er niets aan de hand is, maar daarna ‘sta ik uit’. Dan vergeet ik woorden als ‘confrontatie’ en kan ik soms niet eens meer articuleren. Mijn geheugen is belabberd. Een mondelinge afspraak vergeet ik geheid. Ik heb veel last van mijn evenwicht. Het is niet zo dat ik écht omval, maar ik raak wel snel uit balans. Er zit een baksteen in mijn hoofd die soms meer drukt dan anders. Maar mijn hoofd voelt niet meer licht, niet meer vrij.

Dus ja, het is ontzettend vaag. En nee, je ziet het inderdaad niet (altijd) aan me. En inderdaad, ik heb hoofdpijn. Een beetje… óók.

tumblr_mbsa86CvZF1ryqt3q

Now is mine – I’ll take it

Ik kan eigenlijk niet zo goed meer tegen geluid zonder beeld. Telefoneren vraagt enorm veel concentratie en ik gil regelmatig tegen Lars dat hij zijn muziek uit moet zetten. Welke muziek er ‘in’  is weet ik allang niet meer. Toch klinkt, net als wanneer je verliefd bent of liefdesverdriet hebt, bijna ieder liedje alsof het voor mij geschreven is. En de soundtrack van de afgelopen week was van dan K’s choice: Now is mine.

Ik moet leren om in het nu te leven en daarin te ontspannen. Ik krijg er zelfs fysiotherapie voor. Dat is voor iedereen een hels karwei. We zijn altijd bezig en doen nooit meer niets. De dag van vandaag valt vaak weg. Maar als ik nu niet luister naar hoe ik mij voel, merk ik dat over drie dagen nog. Als ik nu besluit rustig aan te doen, kan ik morgen veel meer. Ik kan mezelf op blijven vreten over hoeveel beter het vroeger was, ik kan me ongerust en wanhopig voelen over de onzekerheid van mijn toekomst. Maar daar verander ik nu niets aan. Ik moet leren om het nu naar mijn zin te hebben. En deze week gaat dat goed.

‘We zijn gewend om buiten te zijn als we ergens naartoe gaan. Misschien is het interessant om gewoon eens buiten te ZIJN.’ zei mijn SI therapeute. Ik word onrustig van het niet-sporten, de buurmeisjes stampten weer een vrolijk dansje boven mijn hoofd en de zon scheen. Vanavond ging ik eens buiten zijn.

Ik wandelde door het Uithofpark en ik had met mijzelf afgesproken de hele wandeling niet op mijn telefoon te kijken. Om lief te zijn voor mijn evenwicht, stond ik stil als ik ergens naar wilde kijken. En ineens had ik door dat ik al een hele tijd stil stond. Ik luisterde naar de kwetterende kleine vogeltjes, een duif koerde hoog bovenin de boom, op het fietspad-dus-niet-brommen kwam een stoute brommerrijder voorbij, de bladeren van de bomen ruisden in de wind, zes reigers op een rijtje wachtten rustig op hun kans aan de rand van de sloot, de zon scheen tussen de boomstammen door en rekte de schaduw op en in het weiland stommelden loom grote, dikke runderen. Ik heb heel vaak door dit park gerend, maar nooit viel dit mij op. Nu liet ik het opvallen. En het was heerlijk. En natuurlijk mis ik mijn drukke sociale leven. Ik mis het om op donderdagavond nog een wijntje te nemen omdat ‘het toch bijna weekend is’. Ik mis de luxe om domme dingen te doen. En ik begrijp ook dat niemand met mij wil ruilen. Maar vanavond in het park wilde ik voor het eerst heel even niet meer perse met mijn oude zelf ruilen. Natuurlijk werd ik direct gestraft door een stekende mug, maar het mocht de pret niet drukken. Vanavond stond ik in het park naar de natuur te kijken en was ik nergens anders.


~ Take my future, past, it’s fine. But n
ow is mine ~

f542539180e724c1a598f0055c82014c