Theorie en de praktijk

Hoera, ik heb een werkervaringsplek! Ik moet mijn belastbaarheid ontdekken, zowel in wat voor werk ik aankan, als hoeveel uren ik kan werken. En dat mag ik doen bij Esther op school.

Als je mij twee jaar geleden verteld had dat ik dolgelukkig zou zijn met wat kopieerwerk op een basisschool, had ik je voor gek verklaard. Ten eerste had ik niets met dat kleine grut met snottebellen en vingerverf overal en ten tweede kon ik me niet voorstellen dat ik buiten het docentschap om, iets interessant zou vinden in het onderwijs. Toen ik in april te horen kreeg dat werken voor de klas waarschijnlijk een gepasseerd station was, hoefde het hele onderwijs van mij dan ook niet meer. Mijn zusje opperde nog dat ik misschien wat in de huiswerkbegeleiding ofzo zou kunnen doen, maar dat voelde toch alsof de liefde van mijn leven me net verlaten had en zij zei: ‘Ja, maar deze heeft ook bruin haar!’

Maar nu betekent klusjes doen op een basisschool dat ik weer onder de mensen kom. Dat ik weer een beetje meedoe. En dat voelt belangrijker dan ooit. Het is vervreemdend om een eigen ritme erop na te houden. Om rond een uur of tien in de bus te zitten en te denken; ‘Hè, zijn de winkels nu al open?’. Dat ik nu weer wat werk heb, betekent dat ik weer wat meer in de maatschappij sta. En dat voelt fijn.

Toch moet ik ontzettend oppassen. Om mijzelf in bescherming te nemen heb ik afgesproken om steeds maar anderhalf uur te komen, één of twee keer per week. Toch was ik afgelopen week vier dagen ondersteboven van die anderhalf uur werk en heb ik ook deze woensdag drie uur moeten slapen voor ik me weer een klein beetje mens voelde. Het gekke is dat, wanneer ik in zo’n nieuwe situatie op zoek moet naar mijn grenzen, mijn uiterste grens het enige kompas lijkt te zijn.

Ik zag laatst een interessant filmpje voorbij komen op Facebook over slim omgaan met je energie. Ik voelde mij direct aangesproken.

 

Oké, dus ik moet proberen om terug te keren op mijn basisniveau, na, maar ook tijdens een dag werken.

De theorie is duidelijk. Komende week de praktijk.

992af6773709d28d9fb4c7bf22a68eda

Advertenties

Wiebelen

Een tijdje geleden aten we bij mijn ouders. Mijn oudste zus deed een ingewikkelde yoga-positie voor. Mijn zusje vertelde over haar bootcamp trainingen en misschien wel, misschien niet gaan roeien. Ik kon natuurlijk niet achterblijven. Ik stond op, ging aan het hoofd van de tafel staan en zette mijn voeten op heupbreedte. Ik haalde mijn knieën van het slot en wiebelde zo langzaam van de ene voet, op de andere. Zo. Dat was mijn trucje.

Als kind had ik het niet zo op sport. Tijdens de korfbalwedstrijden keek ik liever naar de vliegtuigen in de lucht en bij de volleybal bedankte ik voor het hogere meisjesteam omdat ik niet zo hard mijn best wilde doen. Ballet vond ik geweldig, maar daar stopte ik mee want op mijn dertiende was dat uiteraard niet cool genoeg. In mijn studententijd holde mijn relatie met sport nog verder achteruit. Het was pas later dat ik het te pakken kreeg. En hóe.

Vóór het ongeluk sportte ik gemiddeld vier keer per week. Volleyballen voor de gezelligheid en de sociale contacten, fitnessen omdat ik potverdorie toch zeker een zwaarder gewicht kon pakken dan mijn buurvrouw. Ik had een blokjesbuik en de fitnessinstructeur noemde mij ‘droog’ (ik bedankte hem toen hartelijk en zei dat ik mijzelf ook erg grappig vond, maar dat bedoelde hij niet). Na het ongeluk heb ik een tijdje hardgelopen. Sneller zijn dan mijn groepje, steeds een beetje verder. En toen kwam ik in het revalidatiecentrum terecht en moest ik stoppen.

Mijn spierspanning was te hoog. Ik voelde mijzelf een zwevend hoofdje. Wat mijn lichaam deed leek aangestuurd te worden door een marionettenspeler. Ik moest eerst leren ontspannen, terug te zakken in mijn lijf, voordat ik ontspanning mocht gaan zoeken door inspanning.

Maar gisteren was het dan eindelijk zo ver. Voor het eerst ging ik weer iets aan lichaamsbeweging doen. Enigszins sceptisch, want ik ging naar een Chi Kung les. Sporten betekende voor mij altijd zweten en tot het gaatje gaan. Nu ging ik een beetje heen en weer wiebelen op zweefmuziek. Hoe inspannend kon dat zijn?

Ik heb de helft van de les aan de kant gezeten. Want al dat wiebelen was stiekem behoorlijk heftig voor mijn evenwichtsorgaan. Maar ik werd er wel rustig van, mijn hoofd leeg. En vanochtend toen ik op de fiets zat, voelden mijn benen loodzwaar. Eindelijk, na maanden, heb ik weer wat gesport en ik heb zelfs bijna-spierpijn om het te bewijzen.

Stap 1 is gezet. Volgend jaar de marathon!

349a37362b108aec50fa436feb075cc3

Dode punten

Ik draag mijn haar in een knot bovenop mijn kop. Het zit me mee dat dit sinds een paar jaar weer helemaal ‘kan’, maar ik denk ook dat als lange krullen ‘in’ zouden zijn, ik nog altijd voor de knot zou kiezen. Het is lekker makkelijk en mijn haar is tenminste uit mijn gezicht. Ik heb last van aanraking en geluid, zeker naast mijn oren. Daar voelt het regelmatig alsof mijn huid elektrisch geladen is. Bungelende oorbellen of loshangend haar is dan vervelend. Maar er is nog een reden voor de knot en die is veel simpeler:

Ik ben al maanden niet naar de kapper gegaan.

De kapper valt in hetzelfde rijtje als manicure, nieuwe tandarts zoeken, nieuwe huisarts regelen, echte fijne enkellaarsjes vinden, de verhuisdoos met ‘nog uit te zoeken’ uitzoeken en de extra kast in de kleedkamer uitzoeken en inrichten: Ik kom er niet aan toe. Ik neem het me iedere dag weer voor en toch is er altijd iets dat me in de weg zit.

Mijn zus helpt mij met de grootst noodzakelijke dingen. Het aanvragen van de WIA-keuring bijvoorbeeld. Dat moet en dus wordt dat gedaan. Ook moet ik mails sturen, afspraken maken en logboek bijhouden voor de re-integratie, de was draaien, zorgen dat mijn auto door iemand anders op tijd naar de APK gereden wordt en af en toe zelf onder de douche. Die dingen gebeuren dus ook, maar dan is het ook wel op.

Mijn grootste issue is dat ik een probleem heb met het vasthouden van mijn aandacht. Hoe complexer een taak wordt, hoe korter mijn aandachtsspanne en hoe sneller ik er moe van word. Zo wordt het regelen van een nieuwe tandarts ineens een enorm karwei. Ik ging zitten om te kijken of de tandarts die mij werd aangeraden ook vergoed werd door mijn verzekering. Voordat ik de juiste informatie op de website van mijn verzekering gevonden had, was ik al moe. En toen bleken ze geen contract met die tandarts te hebben! Op zoek naar een nieuwe tandarts dus. Ik had eindelijk een lijstje met tandartsen die ik wel zou kunnen uitzoeken, toen de site vastliep. Gelukkig maar, want mijn hoofd voelde zwaar, pijnlijk en het leek of mijn hersenen met kracht ingedrukt werden door een baksteen. De volgende dag dus weer proberen. Moest ik wéér op zoek naar dat lijstje tandartsen. Vier mogelijke kandidaten uitgekozen, hun websites opgezocht en toen eigenlijk alweer te moe. Later op de dag (ik had even geslapen en ging met hoofdpijn tegen beter weten in toch maar even aan het werk) op de tandarts-taak teruggekeerd. Bleken ze alle vier geen nieuwe patiënten aan te nemen op dit moment! Oftewel: twee dagen werk, alle energie verbruikt, nul resultaat.

Ik vergeet nog altijd vaak dat dingen die ik vroeger ‘even’ regelde, nu een dagtaak zijn. En waar ik vroeger in mijn weekenden even alles regelde wat nog moest en ook nog aan ontspanning toekwam, moet ik mijn taken nu over weken uitspreiden. En dan krijg ik het meestal nog niet af.

En eerlijk gezegd kan ik me er ook niet altijd druk om maken. Als ik nu moet kiezen tussen appen met mijn zussen of een huisarts regelen, dan app ik met mijn zussen. Als ik moet kiezen tussen mijzelf dwingen een ingewikkelde mail te sturen of even rustig tegen Lars aan op de bank te zitten, kies ik uiteraard voor het laatste. Er moet zoveel, altijd, overal. Dat was voor mijn letsel zo en dat is helaas niet veranderd.

Dus borstel ik de slierten op mijn hoofd nog maar eens en bind het weer in een knot. Dode punten zijn niet het belangrijkste in de wereld. In ieder geval niet in de mijne.

65ef7cb6483aa9ad9eafc6fa37f38efc

Effectivi-tijd

IMG-20141225-WA0008-1

Hoera de feestdagen zijn voorbij! Vroeger raakte ik in januari altijd in een post-gezelligheidsdip. De kerstverlichting ging het huis uit, de kerstkilo’s moesten er weer af dus met het lekkere eten was het gedaan, en het bleef nog zeker drie maanden donker en koud. Nu merkte ik dat ik me maandagochtend opgewekt klaarmaakte om te vertrekken naar de gespreksgroep. Het ‘gewone leven’ was weer begonnen! Joepie!

Ik merk dat ik sinds ik bij het revalidatiecentrum ben begonnen, een bijna autistische hang naar structuur heb. Onzekerheid kost energie. Als ik niet weet wat er precies wanneer gaat gebeuren, moet ik alle opties open houden en die scenario’s kosten denkruimte. Daarnaast heb ik beperkte energie op een dag. Spontane acties of onvoorziene situaties gaan ten koste aan andere zaken die ik ook wil doen. Hoe beter ik alles plan, aan des te meer dingen kom ik toe.

Je zou denken dat ik, sinds ik niet meer werk of sport (of uitga, shop of uitgebreid douche omdat ik last heb van de prikkels van al die straaltjes water), zeeën van tijd heb. Eerlijk gezegd heb ik dat zelf ook nog lange tijd gedacht. Het frustreerde me enorm dat ik, ondanks dat ik zo veel thuis ben en lichamelijk niets mankeer, de badkamer maar niet schoon kreeg. Of dat er, na een kop koffie bij Esther, die dag verder niets uit mijn handen kwam. Ik begreep maar niet hoe ik dat moest verklaren. Ik was toch niet gehandicapt?

Nu heb ik geleerd dat ik maar een paar uur effectieve tijd per dag heb. Na een inspannende taak moet ik rust nemen, na een denk-taak moet ik overstappen op een doe-taak (en andersom) of rusten en de oefeningen voor de SI vragen ook heel wat tijd per dag. Ik zal het even voorrekenen:

Ik sta ’s ochtends meestal om acht uur op en ga om tien uur richting bed. Dat levert zo’n 14 uur ‘tijd’ op. Het duurt altijd even voor ik wakker ben en in staat ben te functioneren, zeg een half uur. 13,5 uur tijd. De oefeningen voor de SI moet ik drie keer per dag doen en duren zo’n 15 minuten. Daarna moet ik ongeveer 10 minuten ‘diepzitten’ en moet ik vaak rustig aan doen om bij te komen. Ik ben daar ongeveer 3 kwartier tot een uur per keer aan kwijt, laten we zeggen 2,5 uur. Zeg 11 uur ‘tijd’. Tussendoor demp en rust ik veel. Veel kopjes thee, veel zitten. Houden we zo’n 9 uur over. Mijn middagdutje van anderhalf uur plus wat tijd om weer op gang te komen maakt 7  tot 6,5 uur ‘tijd’.

En dan heb ik dus nog niets gedaan op een dag! Als je daar dan ook nog bij bedenkt dat de simpelste taken veel energie vragen en ik tussendoor steeds moet rusten, is het ineens begrijpelijk dat er niets uit mijn vingers komt (behalve haakwerk, want dat is idioot ontspannend). Alles dat ik kies te doen, heeft consequenties voor andere taken. Daarom word ik zo blij van structuur. Des te beter ik mijn zaakjes op orde heb, des te meer ik in een week kan doen. Mijn effectieve tijd zo effectief mogelijk besteden.

Oh ja, en mijn sanitair glimt dus nooit meer als een hondendrol in de maneschijn. Soit.

3eEC52y