Back to reality

Lars en ik hebben een tijdje fanatiek The Walking Dead gevolgd. Tot ik er daadwerkelijk nachtmerries van kreeg en het niet meer wilde zien. Het was niet zo dat ik bewust bezig was met of er al dan niet een zombie achter de deur stond ’s nachts, maar mijn hersenen konden het niet verwerken. Ze bleven ermee bezig, zodat ik om drie uur ’s nachts wakker schrok en mijn eerste gedachte ‘Zombies!!’ was.

Het is moeilijk uit te leggen hoe het is als mijn hoofd zo blijft hangen op een bepaald onderwerp. Ook nu nog, zo’n acht maanden nadat ik mijn laatste aflevering heb gezien en ‘oké, nóóit meer!’  riep, word ik nog wel eens wakker van zombies. Of hoor ik ze ineens op de trap. Het helpt natuurlijk ook niet dat Lars af en toe met een intens gelukzalig gezicht ‘Gaaaaaaaah’ in mijn oor gorgelt, maar ik krijg het niet uit mijn hoofd. Blijkbaar is het concept zombie zoiets vreemds dat ik het niet kan parkeren.

Ik heb het vaker met dingen die mij raken. Daar kan ik over blijven nadenken en malen en ik krijg het dan maar niet weg. Het is niet zo dat ik het bewust blijf oprakelen. Zo’n onderwerp wil maar niet naar de achtergrond verdwijnen. Indrukwekkende berichten op het nieuws, mijn plotselinge haakverslaving, de bruiloft van mijn zus… Het zijn allemaal onderwerpen die blijven steken. En ik wil heus wel een spontaan, gelijkwaardig gesprek met je voeren over alles waar je mee zit, maar als zoiets in mijn kop in de weg zit kost me dat gewoon extra veel moeite.

Afgelopen week zond RTL het volledige eerste seizoen Broadchurch uit. Ik besloot het een kans te geven en was na de eerste aflevering (waarbij ik 50 minuten keihard heb gejankt) verkocht. Ik vond de serie beklemmend, meeslepend en ontzettend indrukwekkend. En hij liet me niet los. Zeker niet na de ontknoping gister (die ik echt niet had zien aankomen. Lag dat aan mij?). Mijn hersenen zijn al een week bezig met Beth en Marc en Ellie en Alec en vannacht gingen ze nog even in overdrive. Toen ik vanochtend wakker werd, wist ik voor een paar tellen zeker dat ik me aan de kust bij Broadchurch bevond.

Afgelopen week ben ik voor het eerst naar mijn nieuwe werkervaringsplek geweest en daar zou ik graag over willen vertellen. Maar het laatje van ‘werk’ zit klem achter de enorme archiefkasten van ‘Broadchurch’ en daar kom ik maar niet omheen. Ik zoek een paar sterke mannen die die mentale barrière voor mij opzij kunnen schuiven, zodat ik weer terug kan naar de realiteit.

Gespierd en met baard het liefst. En een Schots accent.

HHH1 001

Namasté

Kind-of-a-stretch

Vorig jaar maart, vlak voordat ik bij het revalidatiecentrum begon, heb ik de 10 kilometer op de City Pier City gerend. Al na twee weken revalideren begreep ik niet meer hoe me dat gelukt was. Ik mocht moest zo snel mogelijk alle spanning, vermoeidheid en stress loslaten en ineens kon ik niets meer.

Door de Sensorische Integratie hield ik onbewust spierspanning vast in mijn lijf. Als een afweermechanisme tegen overprikkeling trok ik mijn schouders op, spande ik alle spieren in mijn lijf en werd zo natuurlijk alleen maar vermoeider. Nog steeds merk ik dat als ik in een drukke of stressvolle situatie kom of als ik moe word, dat ik onbewust mijn vuisten bal en mijn schouders span. Die spierspanning moest in eerste instantie naar beneden. Dus mocht ik niet sporten.

Na mijn revalidatie was ik op zoek naar een vorm van bewegen. Ik begon toen met Chi Kung, een soort laffe variant van Tai Chi (jawel, het kan!). Het was niet verschrikkelijk, maar het was niets voor mij. Mensen stonden daar met hun ogen dicht helemaal op te gaan in dat Zen-moment. Ik ben er al heel trots op dat ik af en toe wat mindfulness oefeningen mag doen van mezelf, met dat verlichtte gezweef kon ik eigenlijk niets. En ik kon het ook niet laten om de hele tijd te denken: ‘Ja, oké, maar wanneer gaan we nou zweten?!’

Toen wees mijn zus me op yoga video’s op YouTube. En ook daarbij dacht ik natuurlijk: ‘Ja doei, dat is net zo zweverig. Namasté!’, maar het werkte al snel verslavend. Ik was hopeloos uit vorm, raakte al buiten adem van de warming up en een ‘easy flexibility’ oefening voelde als de beklimming van de K2. Zuchtend en puffend lag ik op mijn matje en Lars lachte me hartelijk uit. Maar hey, ik was weer bezig. En voor ik het wist kon ik ineens wél mijn tenen vastpakken!

Vervolgens kwam de grootste stap. Na een oké van mijn fysiotherapeut (mijn heup is namelijk ook behoorlijk instabiel geworden van de aanrijding), trok ik voor het eerst weer mijn hardloopschoenen aan. Ik ben nu alweer een paar weken bezig en kan nog niet veel meer dan 3 minuten op, 1 minuut af, maar ik doe het weer. Ik ben weer in beweging, bezig, aan het zweten!

Als ik één ding geleerd heb het afgelopen jaar, is dat ik geneigd ben om mijn doelen veel te hoog te stellen (“nee ja, over een maand kom ik wel weer werken! Oh, in mei kan ik wel beachvolleyballen! Over drie maanden wil ik 25 uur per week belastbaar zijn!) en dat die teleurstelling steeds weer verschrikkelijk is. Maar ik wil mijzelf wel blijven uitdagen. Dus zeg ik dit: volgend jaar maart loop ik weer mee op de City Pier City.

Desnoods de Ernst&Bobby loop.

Even dop – Italië deel 3.

Af en toe lees ik eens terug wat ik eerder geschreven heb. Het is leuk om te zien hoeveel ik meegemaakt heb, en hoopgevend dat ik (ook al zie ik dat niet per dag veranderen) nog steeds zoveel progressie boek. Ook is het soms grappig. Zo schreef ik een jaar geleden dat ik mijn grenzen ‘nog niet altijd’ herkende, terwijl ik net begonnen was met revalideren. Nu weet ik dat ik toen nog niet eens wist hoe een grens voelde, laat staan dat ik hem kon herkennen. Nu weet ik dat ik zelfs nu nog keihard de mist in kan gaan.

Het is een heel proces geweest, grenzen leren herkennen voordat het te laat is en dan daadwerkelijk op de rem, en ik leer nog steeds. In mijn vertrouwde omgeving heb ik het aardig onder de knie, durf ik te beweren, maar in iedere nieuwe situatie schijn ik eerst keihard op mijn bek te moeten gaan. Met verhuizen, de feestdagen, mijn werkervaringsplek op de basisschool… Eerst moet ik álles mee willen doen, snoeihard die grens over en dan even instorten voordat ik een soort balans heb gevonden. Op vakantie was dit ook het geval.

Met mijn ouders hebben we nooit aan luiervakanties gedaan. We gingen kamperen in Tsjechië of Ierland en lekker actief iedere dag iets dóen! De fietsen gingen mee, de wandelschoenen aan en in ieder bergmeertje dat we tegenkwamen moest gezwommen worden. Met die instelling ging ik ook weer mee op vakantie. Dingen doen, plekken zien, beleven! Misschien dat ik dit nog eens extra voelde omdat ik doorgaans niet zo heel veel te beleven heb.. Nu wilde ik volop genieten! Ik wilde niet rustig aan, ik wilde niet hersenletsel hebben Ik wilde even dop.

Ik denk dat ik in die ene week Italië het afgelopen jaar gewoon even dunnetjes over heb gedaan. De eerste paar dagen wilde ik niet luisteren naar mijn lijf, die eeuwige grenzen niet respecteren en daarna stortte ik tijdelijk in. Op een toer langs de prachtige Amalfikust wilde ik eigenlijk alleen maar janken en slapen. Maar de weg zat vol bochten en idiote Italiaanse chauffeurs dus daar kwam niets van. Toen realiseerde ik me, net als ergens halverwege het afgelopen jaar, dat het het niet waard is om me zo beroerd te voelen. Ik kan beter rust nemen en van de dingen die ik meedoe ten volle genieten, dan dat ik overal maar achteraan dender en als zwevend hoofdje ergens in de wolken vooral maar bezig ben met overleven en niet omvallen.

Blijkbaar is dat nu eenmaal hoe het is. In iedere nieuwe situatie moet ik mijzelf opnieuw leren kennen. Ik probeer het ook maar zo te zien, hoewel dat niet altijd makkelijk is. Als kind leer je lopen en hobbel je zo de rest van je kindertijd door. Tot je ineens besluit pumps met hakken van 9 cm hoogte te gaan dragen, dan is van dat lopen weinig over. Zo is dit ook. Ik kan leven, maar nog niet op vakantie-leven. Want dat is op hakken. En stelten. Dat leer je niet in een week.

640414e43940fabfc3362b711e88324e

Hoeden en petten en dameskorsetten – Italië deel 2.

562a7daadba2eaae7f30817978a98a0c

Sinds het ongeluk was ik niet meer op vakantie geweest. Wel hier en daar een weekendje weg, maar niet écht. In zo’n weekendje kon ik nog teren op reserve-energie en opladen wanneer ik thuis was. Nu was dat een ander verhaal. Daarnaast had ik nog niet ervaren wat felle zon, bijna 30 graden, iedere dag 9 man om me heen, vliegen, rijden door de bergen enzovoorts, met me zouden doen.

De eerste dag bezochten we Pompeii. Waar ik vorig jaar ietwat teleurgesteld uit Verdun was thuisgekomen, omdat ik me niet meer zoals vroeger onder had kunnen dompelen in de geschiedenis, na een kwartier vermoeid was geraakt in een bunker en het niet zo op had kunnen zuigen als vroeger (naïef ook om te denken dat alles was veranderd, maar dat ene onderdeel van mijn leven niet), viel dit me reuze mee. Toegegeven, veel sneller dan vroeger gebruikelijk was ik het zat en zat ik samen met mijn cultuurbarbaarse zusjes op een randje in de schaduw, maar ik had wel weer het gevoel dat ik het op kon nemen, de historische verbanden zag, mijn kennis kon aanspreken en toe kon passen op die verlaten stad. Ik vond het weer leuk!

Wat mij wel al meteen tegenviel, was de zon. Normaal gesproken ben ik gek op buiten zijn. De herrie vervliegt er sneller, het voelt lichter, minder drukkend. Maar hier in Nederland ben ik toch maximaal anderhalf tot twee uur buiten. Daar de hele dag. En die zon bleef maar enthousiast schijnen. Op dag één wist ik het eigenlijk al: ik moest een hoedje kopen.

Daar ben ik nooit zo happig op. Hoedjes, net als brillen, staan mij over het algemeen best aardig, maar ik heb een groot hoofd. Echt een heel groot hoofd (en iedereen die nu zegt; ‘Nee joh, dat valt wel mee, ik heb ook een groot hoofd, jij niet joh!’ die moet niet zo eigenwijs zijn. Ik heb echt een Heel. Groot. Hoofd.) Daarnaast heb ik natuurlijk een lekker makkelijke mening over mensen met hipsterhoedjes. Van die mannen die in de creatieve sector werken, een gewaagde bril met zwaar montuur dragen en zichzelf ongelooflijk interessant vinden, zeg maar. Maar ik had er eentje nodig, of ik wilde of niet.

In Santa Maria di Castellabate heb ik dan toch, tussen al die minuscule hoedjes voor die propperige Italiaanse hoofdjes, een hoedje gevonden dat me paste. En die heb ik de rest van de vakantie eigenlijk niet meer afgezet. Ik heb me allang verzoend met het lot dat ik geen lekker bruin gezicht meer zal krijgen, en zo kon ik toch genieten van het mooie weer. In een vlaag van verstandsverbijstering heb ik het hoedje op de terugweg natuurlijk wild in mijn tas gepropt, waardoor hij nu alle vorm is kwijtgeraakt, maar op een volgende vakantie koop ik er gewoon weer één.

Ik voel een nieuwe verslaving aankomen.

Vrienden tegen wil en dank

Vrienden tegen wil en dank

Van A naar Italia – Italië deel 1.

Ik was er even niet en dat was heerlijk! Met mijn ouders, zussen en aanhang ben ik lekker een weekje naar Italië geweest. Zon, zee, la dolce vita en honderdduizend indrukken die ik nog lang niet allemaal verwerkt heb. Daarom pak ik het even methodisch aan. Italië deel 1:

Ik heb nog altijd niet mijn ideale manier van van A naar B(eter (hehe, als de rijksoverheid het mag, mag ik het ook)) te komen gevonden. Wandelen is op dit moment favoriet. Lekker rustig, zonnetje op mijn kop, vogeltjes fluiten, genieten. Maar echt snel verplaatsen doe je niet. Fietsen zou ook zo relaxed kunnen zijn, mijn Sensorisch Integratie-therapeute heeft me zelfs eens aangeraden om ‘mindfull’ te fietsen, maar eenmaal aan het trappen voel ik meestal toch de pathologische behoefte iedereen in te halen en kom ik moe, bezweet en met een bonkend hoofd aan op de plaats van bestemming. Om over onvoorziene en onoverzichtelijke verkeerssituaties maar niet te spreken. Het OV is iedere keer weer een opgave. Er zijn daar veel mensen, muziek, herrie, prikkels, geuren, hobbels, bobbels, ronkende motors enzovoorts. Hetzelfde geldt in mindere mate voor reizen per auto. Daar kan de muziek uiteraard uit en is de kans dat er ineens iemand met een bak Smullers instapt aanzienlijk kleiner, maar ook daar hobbelt en slingert de weg en ook daar heb ik last van snel voorbij flitsende beelden. En nu gingen we vliegen.

Diezelfde SI-therapeute had mij ooit verteld dat vliegen meestal als één van de prettigste vormen van reizen werd ervaren door lotgenoten. Ik zag mezelf staan tussen al die druktemakers die perse die íets te grote koffer in dat íets te kleine handbagagevak proberen te proppen en dacht; ‘jij hebt makkelijk praten’. Puntje bij paaltje viel dat mee. Van het vriendelijke KLM personeel mocht ik als laatste instappen en als één van de eersten het vliegtuig uit. Dat scheelde weer op het puntentotaal. Mijn lieve zussen en zwagers werden emotioneel gechanteerd om hun plaatsje aan het raam op te geven. Zo hoefde ik niet aan het gangpad te zitten waar kleuters voorbij huppelen, stewardessen met hun karretjes rollen en dikke buiken van die druktemakers met hun grote koffers in je gezicht gedrukt worden. Bijkomend voordeel is dat er in de lucht, op wat wolken na, weinig voorbij flitst. En kers op de taart waren mijn Noise Cancelling Headphones. Wat een uitvinding is dat! Het eentonige gebrom van de motor (wat bij anderen na een tijdje naar de achtergrond verdwijnt maar voor mij niet), het geroezemoes van de andere passagiers en zelfs het slechte Engels van de Italiaanse purser, vielen allemaal weg.

Met mijn zonnebril op, oordoppen in, koptelefoon daarover heen en mijn blik uit het raam, viel vliegen best mee. Natuurlijk was het vermoeiend en uitputtend en kwam ik totaal gesloopt aan. Maar dat heb ik ook als ik de tram of de bus uitstap na een rondje Den Haag. En nu stond ik toch mooi in Napels!

IMG_20150510_153010

De Hersenletsel-Fijn-Vliegen-Starterkit.