Opzij opzij opzij

Mijn oudste zus komt altijd te laat. Eén van mijn beste vriendinnetjes ook. Lars is vijf minuten voordat hij moet vertrekken ineens altijd alles kwijt. En volgens hem komt mijn familie ook altijd een kwartier na afgesproken tijd aan.

Ik heb dat niet. Nooit gehad ook eigenlijk. Ik moest eerder een rondje extra fietsen om niet als een complete debiel een half uur op iemand te moeten wachten (tegen een paaltje geleund, onhandig met mijn vingers spelend, op zulke momenten wensend dat ik, als niet-roker, cool zou kunnen staan roken), dan dat ik te laat kwam. Maar sinds het ongeluk vind ik tijd een lastig begrip. Het ontglipt me geregeld. Soms sta ik een uur te vroeg op de tram te wachten. Soms sta ik een week te vroeg bij de fysio.

Maar andersom gebeurt het ook. Ik vind het moeilijk in te schatten hoe lang ik ergens over doe, moeilijk voor te stellen hoe snel een kwartier voorbij gaat. Het heeft ook te maken met concentratie. Halverwege het tandenpoetsen, ruim ik ineens het huis op en zoek ik mijn make-up collectie uit, waardoor ik een half uur later met tandpasta druipend langs mijn kin niet meer weet welk deel ik van mijn tanden nog niet gehad heb. Dus begin ik maar opnieuw. Waar ik vroeger ‘even snel’ make-up op mijn gezicht plempte, kost dat klusje me nu rustig een kwartier. En mijn spullen opzoeken is ook een hels karwei. Als ik niet een dag van tevoren een lijstje heb gemaakt met wat er allemaal mee moet en waar ik het gelaten heb, loop ik vlak voor vertrek alsnog achter Lars aan omdat ik ook alles kwijt ben. En dan liggen mijn sleutels ineens in de koelkast en mijn portemonnee in de wasmachine. Ook dat nog.

De psychologe in het revalidatiecentrum raadde me aan om te proberen haast uit te bannen. Ik moest taakjes en reistijd langer inschatten dan ik eigenlijk dacht nodig te hebben. Want haast leidt tot druk, druk leidt tot onrust, onrust tot onoverzichtelijkheid en snelle beslissingen en dat leidt weer tot fouten. En dus weer tot druk en onrust en onoverzichtelijkheid en de onvermijdelijke klap. Sindsdien neem ik altijd een tram eerder, neem ik even rust in de wachtkamer of wc als ik weer eens ergens een kwartier te vroeg ben en zoek ik alvast een NAH-vriendelijk plaatsje uit als mijn afspraak gewoon op tijd (of met al die pathologische laatkomers om mij heen) net iets te laat is.

Maar dat werkt dus niet altijd. Zeker niet omdat mijn spullen, die de vorige dag gewoon nog braaf op hun plek lagen, zich ineens verstopt hebben. Dan heb ik tien minuten op Lars staan wachten en hoef ik alleen de autosleutel te pakken. Die dan plotseling onvindbaar is en na een half uur opduikt in een tas die ik al een paar maanden niet gebruikt heb. Wonderbaarlijk! Maar het resultaat is wel weer: Haast! En Lars, die moppert dat hij altijd op mij moet wachten. Dat ook.

f3751cb531bad924b14a4579700b3300

Advertenties

Kiezen of balen

Er zaten maar drie leerlingen voor mijn neus, terwijl ik gerekend had op vijftien. De rest was weggegaan omdat ze ‘dachten dat het niet doorging’. Er was verkort rooster, de rest van de school was al na de grote pauze uit. Ze hadden hun kans gegrepen. De drie guppen in het lokaal waren duidelijk de braafste jongetjes van de klas omdat ze wél waren blijven wachten. Ze waren dan ook aandoenlijk lief.

Vorige week gaf ik voor het eerst een taalles op een middelbare school. Via mijn werk was ik hiervoor gevraagd. Dit kwam dus nog bovenop de zes uur huiswerkbegeleiding die ik tegenwoordig iedere week geef. Ik was natuurlijk direct hysterisch enthousiast. Ik kon weer voor de klas! Ik kon weer werken met een klasje! Als ik ooit weer terug het onderwijs in wil (als dat ooit weer kan, natuurlijk), dan was dit dé ideale opstap!

Maar tegelijkertijd betekent zo’n leuke, nieuwe taak dat ik mijn dagelijkse bezigheden ernstig moet aanpassen. Het kan namelijk niet allemaal én én. Bij iedere nieuwe actie die ik besluit te ondernemen, moet ik iets anders laten vallen. Zeker in het begin. En helaas is niet alles gelijkwaardig tegen elkaar weg te strepen. Dat uurtje extra lesgeven dat ik nu ga doen per week, zal de komende tijd mijn hele vrijdag (en misschien ook wel mijn zaterdag) gaan bepalen. Aan het huishouden zal ik die dagen bijvoorbeeld, net als op de dagen dat ik huiswerkbegeleiding geef, niet toekomen.

Tijdens mijn WIA-keuring vorig jaar kwam ik erachter dat het UWV een nogal rechtlijnige redenatie erop na houdt: ‘Als je het huishouden kunt doen, kun je ook werken. Helaas werkt dit niet altijd zo. Beperkte energie betekent dat je iedere dag opnieuw keuzes moet maken. Het is óf koken, óf werken. Óf boodschappen doen, óf de badkamer schoonmaken. Óf een kopje koffie met een vriendin, óf een was doen. Het kan niet allemaal en het kan zeker niet tegelijk.

Ik heb voor de komende tijd gekozen voor werk. En omdat het een bewuste keuze is, voelt het niet als falen wanneer ik niet aan de schoonmaak toekom. En dat geeft rust.

Maar het is vervolgens wel vies. Dus wie er nog een leuke scholier in de aanbieding heeft die een bijbaan zoekt: mijn wc moet gepoetst!

de0a71dd834bfece72fdbd30fb0758eb

Twilight Zone

Een gevleugelde wijsheid in hersenletselkringen (ja, die bestaan) is dat hersenletsel een breuk in je levenslijn is. Nu kan ik daar natuurlijk sceptisch over gaan lopen doen, maar het is gewoon waar. Mijn diepste zijn is op zich niet veranderd (ik ben nog altijd humeurig, luidruchtig, betweterig en bijzonder grappig), maar wat ik kan is wel degelijk 180 graden omgedraaid. Vergelijk het met een nieuwe telefoon. Je switcht van Android naar Iphone. In wezen kun je er nog altijd dezelfde dingen op, bellen, appen, je Facebook checken, maar het kost tijd om te wennen aan de nieuwe besturing. Zo zit dat in mijn hoofd.

Wat voorheen een gegeven was, is nu niet meer vanzelfsprekend. Wat nu vanzelfsprekend is, is nog niet altijd gewend. Bijna drie jaar na het ongeluk heb ik aardig zicht op waar mijn grenzen, beperkingen en valkuilen liggen en kan ik behoorlijk goede keuzes maken om mijn klachten te verminderen of prikkels zo goed mogelijk te vermijden. Maar nog altijd kom ik nieuwe situaties tegen die ik nog niet post-crash meegemaakt heb. Nog steeds moet ik soms teruggrijpen op oplossingen die ik pre-boem inzette en die nu uiteraard niet meer werken.

Afgelopen zaterdag vierden Lars en ik een feestje. Lars was jarig geweest en ik vier eigenlijk nooit meer mijn verjaardag, dus het was wel weer een keer tijd voor iets uitbundigs. We nodigden veel mensen uit, want het verschil tussen 5 en 15 gasten is groot, maar boven de 15 zijn het er gewoon veel en dan maakt eentje meer of minder wat prikkels betreft ook niet meer uit. We regelden genoeg bier, schoven de eettafel aan de kant, zetten de statafel neer en ik sliep een uur of wat van tevoren. En het was LEUK!

En toen kwam de day after. Ik weet dat ik uitspattingen moet bekopen met vermoeidheid, pijn, verwardheid, wankele emoties. Dat geeft extra druk op alle leuke dingen die ik doe, want dat moet die ellende die volgt wel waard zijn natuurlijk. Tegelijk blijft het spannend. Want zo vaak vieren we geen feestjes. Ik kan nog altijd moeilijk inschatten hoeveel boete ik precies moet doen voor mijn losbandigheid (ik dronk drie wijn en praatte wat met mensen. ‘Losbandig’ is ook behoorlijk aan inflatie onderhevig tegenwoordig).

Zondag bleef ik in bed. Maandag deed ik wat yoga en ging vervolgens terug naar bed tot ik moest werken. Dat kostte me dit keer extra moeite. Concentreren, slimme geschiedenisdingen zeggen, leermethodes opsnorren vanuit mijn geheugen… Het ging een stuk minder soepel dan anders. Vanochtend liep ik te kip-zonder-koppen in de supermarkt omdat mijn hoofd volledig ongestructureerd was. En daarna kon ik weer naar bed.

Maar vanmiddag heb ik een rondje hardgelopen. Daar had ik ineens weer zin in. En ik denk dat ik dat kan noteren als nieuwe bevinding. Het einde van mijn Twilight Zone begint in zicht te komen wanneer ik weer wil sporten. De rest van de week zal ik nog wel vermoeider zijn dan anders en een tikkeltje verwarder, maar de mist begint op te trekken.

Langzamerhand leer ik mijzelf weer steeds beter kennen. En over een paar jaar, als ik zestig ben ofzo, is het vast weer zó normaal dat ik niet beter weet. Tot die tijd aanschouw ik maar en merk ik op. En blog ik erover, uiteraard. Dat helpt.

fc547909a32e6fcb17a8eb760ca6682d

Pffffffft (en hoe de titel me ook nog eens ontschoot)

Ik wil een blog typen, maar kom er niet uit. Ik kan me niet concentreren op wat ik wil vertellen, zinnen worden als vanzelf raar. Ze lopen niet en ik krijg niet op papier wat ik in mijn hoofd heb. En wat ik in mijn hoofd heb is een soepzooitje. Ik raak vandaag afgeleid van iedere zucht. Dus toen ik bedacht wat ik wilde typen, was het al weg vóór ik mijn laptop goed en wel gepakt had.

Het overkomt me ook wel eens als ik middenin een gesprek zit. Dan ben ik lekker aan het kletsen, maar merk ik halverwege dat ik het punt wat ik wilde maken allang kwijt ben. Mijn mond gaat gewoon door, de woorden ratelen nog altijd over mijn lippen, maar achteraf bedenk ik me altijd dat ik nooit meer gezegd heb waar het mij eigenlijk om ging.

Deze problemen spelen zich binnen in mijn hoofd af. Als je naast mij zit met een kop koffie en we zijn lekker aan de praat, heb je misschien niets door. Behalve dan dat ik wat veel over mijzelf praat. Of dat het nogal oppervlakkig blijft. Sorry daarvoor. Ik doe echt mijn best maar… Nou ja, goed…

Er vliegt een hele mooie vogel langs.

im-just-going-to-put-an-out-of-order-sticker-on-my-forehead-and-call-it-a-day-7ad08