En toen was alles anders

Lange tijd was de ondertitel van mijn blog: ‘En toen was alles anders’. En dat klopte al die tijd ook. Toen ik een jaar na het ongeluk begon met dit blog, leek mijn leven in niets meer op het leven dat ik vóór het ongeluk had geleid. Ik was van drukke en aanwezige dochter, zus en vriendin, bevlogen docente, sportschoolfanatica, enthousiaste volleybalamateur, tot over mijn oren verliefde bakvis, wijn- en cocktailenthousiasteling, betrokken collega, toekomstige eerstegraadsdocente, feestbeest, schoonmaakfetisjist en algehele druktemaker verworden tot… Nou ja… Op dat moment liet het gevoel zich het beste omschrijven als ‘Bleh’.

Ik voelde me een jaar lang een lege huls, niet in staat om nog leuk en blij te doen. Pas toen ik in het revalidatiecentrum begon en dit blog startte, had ik het gevoel dat ik weer wat handvatten aangereikt kreeg om er iets van te gaan maken. En hoewel de wederpartij het nog altijd classificeert als ‘self fulfilling prophecy’ was het voor mij enorm behulpzaam om te horen dat het nooit meer zou worden zoals vroeger. Confronterend, maar behulpzaam. Alles werd voor altijd anders. Ik was niet meer wie ik was, had niet meer de energie die ik altijd had en al helemaal niet de prikkelverwerking en reactiesnelheid van vroeger. Ik moest zien te gaan leven met een nieuwe norm, een nieuwe basis. En natuurlijk heb ik even getreurd en opstandig tegen dingen aangeschopt, maar het werd ook lekker concreet. Ik moest gaan ontdekken wie ik was en wat ik aankon en ik kreeg daar een jaar lang hulp bij.

Ik vergeleek mijn leven van na het ongeluk heel vaak met mijn leven van ervoor. Zeker in het begin. Ook in mijn blog is dit veel te lezen geweest. Steeds kwam ik terug op de oude en de nieuwe Suus. Iedere nieuwe situatie vroeg weer om een vergelijkend warenonderzoek. De eerste keer kerst, de eerste keer sporten, de eerste keer op een terrasje, de eerste keer klussen, de eerste keer op vakantie. En in iedere nieuwe situatie ging ik op mijn bek, omdat ik mijzelf en mijn eigen grenzen in die nieuwe context nog niet kende. In het begin raakte ik daar regelmatig onzeker en gefrustreerd om. Alles was voor altijd anders, maar mocht ik dan verdorie wel even de handleiding voor mijn nieuwe leven krijgen? Desnoods in PDF, dan printte ik het zelf wel even.

Maar de laatste tijd kom ik er steeds meer achter dat ik het moeilijk vind om in te schatten hoe ik iets vóór het ongeluk aangepakt zou hebben. En alsof ik toen alles beter deed en wist hoe alles moest. De helft van de tijd flanste ik mezelf het leven maar zo’n beetje door. Ik heb me ook lang schuldig gevoeld op momenten dat ik wél leuke dingen aan het doen was. Alsof ik me moest verantwoorden voor dat kopje koffie op het terras terwijl de rest van de wereld aan het werk was. Ook dat schuldgevoel heeft al lang de kop niet meer opgestoken.

Ik ontdekte ook steeds vaker dat ik het wel oké vond, zo. Dat ik best prima in mijn vel zit tegenwoordig. Het heeft er natuurlijk mee te maken dat ik ondertussen zo’n beetje weet wat ik aankan en waar mijn grenzen liggen. Dat geeft zelfvertrouwen. Ook helpt het dat ik nu duurzaam afgekeurd ben en toch een paar uurtjes per week werk heb. Hierdoor heb ik niet alleen rust en zekerheid, maar ook een doel en voldoening. Het niet meer perse alles mee hoeven maken, het in sommige situaties roepen van ‘fuck it, ziektewinst, we gaan lekker níet naar die verjaardag van tante Sjaan’ (ik heb geen tante Sjaan, geen zorgen), is soms ook gewoon heel erg lekker. En schandalig hard om dingen kunnen lachen en het kunnen gooien op mijn remmingen, is ook gewoon best wel fijn.

Vorige week woensdag zat ik met Lars in het vliegtuig op weg naar ons vakantieadres. Ik had de anderhalve week ervoor heerlijk gevolleybald, koffie gedronken bij mijn ouders, mijn zusje in Amsterdam opgezocht en de toekomstige trouwlocatie van mijn beste vriendinnetje bezichtigd (en héél veel geslapen ter compensatie, uiteraard) en had van een heleboel lieve mensen berichtjes gekregen om ons een fijne vakantie te wensen. Lars lachte me uit omdat ik heel oncharmant had liggen slapen en kwijlen in mijn vliegtuigstoel en samen maakten we kutgrappen over van alles en nog wat. En ineens viel het me in: de ondertitel van mijn blog klopt niet meer.

Oh, natuurlijk is alles anders dan het was. Maar dat zou het sowieso geweest zijn. Ik was 25 toen ik aangereden werd, ik ben nu 29 (bijna 30). Mijn leven zou toch wel veranderd zijn en niemand had me kunnen vertellen hoe of waarin. En weet je, ondanks alles heb ik het gewoon heel erg goed. Ik heb ontzettend fijne ouders, zussen, vrienden, kennissen en een fantastische relatie. Ik heb werk, financiële zekerheid, hobby’s, een ritme en sport. En, hoewel ik ze nooit meer draag omdat ze pijn doen aan mijn huid, ik pas nog altijd in de broeken van vóór het ongeluk (dus waarvoor stond ik eigenlijk vier keer per week in die sportschool, vraag je je af?).

Ik heb een fijn leven en mooie mensen om mij heen om het mee te delen. En natuurlijk heb ik mijn grenzen en beperkingen, maar die zijn niet mijn identiteit. Alles is veranderd, natuurlijk. Maar (wil iemand het cliché-alarm even luiden s.v.p.?) stilstand is achteruitgang. Ik heb heel hard gewerkt aan mijn nieuwe leven en het resultaat mag er zijn. Ik heb ontdekt hoe lief en mooi en begripvol de wereld kan zijn als je dat nodig hebt. En, een enkel chagrijnige uitbarsting daargelaten, ik ben er een leuker, geduldiger en stabieler persoon van geworden.

Ik heb een ongeluk gehad, absoluut. Maar als een ongeluk in een klein hoekje zit, dan zit geluk in de rest van de wereld.

b935caaabc897a3323f3f4a7ac633917 (1)

Advertenties

Duurzaam

De eerste keer dat ik te horen kreeg dat ik beter kon stoppen met werken, was er al een jaar verstreken na het ongeluk. Dat eerste jaar ging ik iedere zes weken naar de bedrijfsarts, waar hij mij vertelde dat ik toch echt meer moest gaan werken dan die vier uurtjes per week die ik eruit wist te persen en waar ik beloofde dat ik echt mijn best ging doen. Om zes weken later weer precies hetzelfde gesprek te voeren. Na één van onze afspraken voegde de bedrijfsarts me bij het handen schudden zelfs toe dat ik nu echt werk moest gaan maken van uitbreiden, want ‘dit schiet niet op zo’.

Ik kon hem geen ongelijk geven. Het schoot ook niet op. Maar ik had geen idee wat er aan de hand was, was alleen maar moe en overstuur en wilde het liefste vluchten als een groep leerlingen mijn lokaal binnen denderde. Pas na een jaar kwam ik bij het revalidatiecentrum terecht, werd er Niet Aangeboren Hersenletsel genoemd en aanbevolen om me alleen nog maar op revalidatie te richten. De bedrijfsarts ging hier ineens heel makkelijk in mee, stelde een evaluatie na 1 jaar ziekte op en wees mij erop dat ik een afspraak zou krijgen met een arbeidsdeskundige. Niet veel later concludeerde zij dat terugkeren in mijn oude functie of bij mijn oude werkgever er niet meer inzat.

Zo begon ik anderhalf jaar na het ongeluk aan een re-integratietraject. Heel bedaard, want ik was nog altijd bezig met revalideren en dat vroeg zoveel energie dat een werkervaringsplaats zoeken naast mijn therapieën eigenlijk uitgesloten was. Zo kwam het dat ik bij mijn eerste WIA-keuring bij het UWV, twee jaar na dato, slechts kon vertellen dat ik twee keer 1,5 uur wat taakjes deed op een basisschooltje en verder vooral rustte. Hoewel de verzekeringsarts er nog wel van overtuigd was dat ik in de meest ideale omstandigheden 20 uur per week moest kunnen werken, was de arbeidsdeskundige er snel over uit: er waren geen arbeidsperspectieven voor mij. Ik werd voorlopig volledig afgekeurd.

Niet veel later kwam ik terecht bij de studiebegeleiding, waar ik binnen acht maanden op wist te bouwen van twee keer 1,5 uur boventallig meelopen, naar twee keer 3 uur echt werken. En hoewel ik er heel veel voor moest laten, was dat werken me alle moeite meer dan waard. Toch was ik bang voor de herkeuring bij het UWV die in april volgde. Het voelde heel dubbel. Ik was bang opnieuw afgekeurd te worden, want dat was steeds zo’n klap in mijn gezicht. Tegelijkertijd was ik ook bang voor 20 uur goedgekeurd te worden. Die zes uur per week die ik er voorlopig uit wist te slepen, vroegen echt heel veel van me.

Ik werd opnieuw voorlopig volledig afgekeurd. Iets waar mijn oud-werkgever (iets ingewikkelds met dat zij nog voor mij betaalden enzo) niet mee akkoord ging. Want waarop was dat ‘voorlopig’ gebaseerd? Wat maakte dat de verzekeringsarts (die knappe) dacht dat er nog verbetering in het vat zat? Een vriendelijke dame van het UWV belde mij om te vertellen dat er een hoorzitting zou komen om te bepalen of ik duurzaam afgekeurd zou worden. Ik moest dit even laten bezinken. Een hoorzitting klinkt nogal heftig en duurzaam afgekeurd worden nog veel heftiger. Wat moest ik daarbij aan? En wat bizar dat ik in zo’n situatie zat. Een hoorzitting bij het UWV. Dat had ik vier jaar geleden nooit bij mijzelf kunnen bedenken!

Voordat het stof goed en wel was gaan liggen, belde die vriendelijke UWV-mevrouw opnieuw. Mijn oud-werkgever had opnieuw bezwaar aangetekend en de hoorzitting ging niet door. In plaats daarvan was er een beslissing genomen ‘op de stukken’. Voor ik er goed en wel erg in had, vertelde ze mij dat ik nu duurzaam afgekeurd was. Heel veel succes ermee en goedemiddag.

Nu ben ik dus duurzaam volledig afgekeurd. Het klinkt alsof ik er het regenwoud niet mee schaad en er geen Afrikaanse cacaoboeren voor een hongerloontje voor hoeven werken, maar het betekent dat ik tot mijn AOW recht heb op een uitkering. En ik weet het al een paar weken, maar nog klinkt het onwerkelijk. 3,5 jaar na dato is dit dus de opbrengst. Ik ben nog altijd niet fit genoeg om ook maar een heel klein beetje goedgekeurd te worden door een instantie die erom bekend staat zelfs mensen zonder armen te willen laten schoffelen. Het klinkt als: Ik doe niet meer mee.

Maar tegelijkertijd is het ook positief. Want ik hoef niet bang te zijn in april ineens wél voor die 20 uur goedgekeurd te worden wanneer ik per ongeluk een onkundige arts tref. Ik kan die paar uurtjes blijven werken en mijzelf blijven ontplooien zonder bang te hoeven zijn dat het iets uit gaat maken voor mijn inkomsten. Ik ben verzekerd van een inkomen, ook als ik om wat voor reden dan ook ineens niet meer die paar uurtjes kan werken. Als Lars en ik een gezin willen stichten bijvoorbeeld en ik al mijn energie nodig heb voor zo’n huilende poepmachine. Het geeft zekerheid en rust en op een gekke manier een bepaald soort lucht.

Ik ben duurzaam afgekeurd. Ik weet nog niet hoe ik me er precies over voel, maar ik kies ervoor het positieve erover in te zien. En ik ben in overleg met Max Havelaar. Want als ik dan toch duurzaam ben, wil ik ook een keurmerk.

5565b8c9d3ccec8a09ac8e0a2a73e4cb

Proost!

Ik stapte op de fiets. Het had de hele dag geregend, maar nu was het eindelijk droog geworden en scheen er zelfs een dapper zonnetje. Ik had extra lang op bed gelegen en die omslag gemist. Verderop in de straat reed een politieauto stapvoets de bocht om, keerde en reed de andere kant op. Die middag hadden er ook al drie agenten aan de deur bij de buren gestaan. Als echte straatgluurder had ik dat uitgebreid in de gaten zitten houden. Er gebeurt anders nooit wat in ons veilige wijkje.

Ik reed door. Ik kwam hardlopers tegen, een groepje vrouwen dat kritische geluiden uit stond te slaan over de nieuwbouw verderop. Een moeder riep vanuit haar voordeur naar haar zoon dat hij moest komen afwassen. Het terras van het nieuwe café op het Valkenbosplein zat stampvol hippe mensen die deden alsof ze in Amsterdam waren.

Ik dacht terug aan een jaar geleden. Ik had toen met mijn directrice op het terras gezeten en besproken hoe ik het in het nieuwe schooljaar aan wilde pakken. Ik zou mijn eigen leerlingen krijgen om te begeleiden, drie om mee te beginnen. En ik zou tot de kerst kijken of ik in uren iets op kon bouwen. Het deed me toen ontzettend goed dat ik iets had om naar terug te keren na de vakantie. Lanterfanten en niet hoeven werken is leuk voor een paar weekjes, maar zodra er geen einde aan zit, wordt het een moedeloze exercitie. Maar er werd weer op me gewacht in september en ik had alle reden om  te genieten van mijn zomervakantie.

Ik was op weg naar de afsluitende borrel van mijn werk en ik voelde me licht en vrij en ongelooflijk zelfstandig en volwassen. Ik heb namelijk weer werk, waarin ik zelfverzekerd ben in mijn handelen. Ik heb weer collega’s, met wie ik andere dingen bespreek dan met vrienden of familie. Ik heb afspraken die losstaan van doktersbezoeken of leuke uitstapjes, ik heb leerlingen die iets van mij leren en willen (moeten) aannemen, gespreksonderwerpen die ik anders niet gehad had, inlogcodes voor computerprogramma’s waar ik anders nooit mee gewerkt zou hebben, een routine op mijn werkplek, zoals een favoriete instelling van de koffiemachine, een directrice om mee te overleggen, uitdagingen en doorgroeimogelijkheden voor in de toekomst.

Mijn werk heeft mij niet alleen een invulling van mijn week, een structuur en een doel gegeven, maar ook weer het gevoel dat ik een functionele volwassene ben. Dat ik weer grip heb op mijn leven en weer mee draai in de maatschappij. Dat ik weer meedoe. En daar, op dat terras in de Haagse Zeeheldenbuurt in de ondergaande zon, proostte ik dan ook op. En op de toekomst, want die is mooi.

742eedb892b8aa99f088f88f47a6e775