Albert-momenten

9e86168808ed063d33e97abf15501276

Vanochtend stond ik verdwaasd in de supermarkt. Alles tolde en ik kreeg maar weinig door van mijn boodschappenlijstje. ‘Brie’, stond erop en ik moest het zeven keer lezen voordat ik dacht; ‘Ooooh, brie!’ Normaal gesproken doe ik in één keer de boodschappen voor de hele week, maar ik was al zo slim geweest in te schatten dat dát vandaag niet zo’n slimme zet zou zijn. Sowieso rijd ik alleen auto als ik me fit voel en vanochtend voelde ik me alles behalve fit.

Afgelopen weekend trouwde mijn beste vriendinnetje met de liefde van haar leven. Ik ken haar al sinds groep 1 en het was een ongelooflijk bijzondere dag. De zon schitterde op het water van de Friese Meren, het pittoreske kerkje leek direct uit een brochure te komen, de bruid en bruidegom straalden en de gasten vermaakten zich uitstekend. En hoewel ik me van tevoren best wel zorgen had gemaakt over hoe ik de dag zou gaan beleven, heb ik ook ontzettend genoten.

Een paar weken geleden was ik naar de huisarts gegaan met de vraag of er niet iets was waardoor ik zulke bijzondere dagen beter door zou kunnen komen. Ik weet heus wel over belasting en belastbaarheid en rust en de accu niet volledig leegtrekken enzovoorts. En op normale dagen kan ik dat ook heus wel (zo’n beetje) toepassen. Maar zulke bijzondere dagen vind ik het moeilijkste dat er is. Ik wil er namelijk bij zijn, alles meemaken. Hoe vaak komt zoiets nou voor? En tegelijkertijd wordt ervan genieten steeds moeilijker naarmate ik vermoeider en overprikkelder raak.

De huisarts moest me helaas teleurstellen. Anders dan een spiegeltje van antidepressiva of soortgelijke op te bouwen, is er niet een wonderpil om zo’n dag te doorstaan. En omdat ik niet gedrogeerd door het leven wil gaan, moest ik het doen met wat ik geleerd had. Rusten, dempen, oordoppen, zonnebril enzovoorts.

En dus reden Lars en ik een dag eerder al naar het hoge noorden, droeg ik de hele dag mijn zonnebril en oordoppen, ben ik voor de openingsdans even mijn bed uitgekomen om daarna nog een half uur te gaan liggen en heb ik vervolgens pijnstillers erin gegooid en de benen uit mijn lijf gedanst. Want dat is dan wel weer het voordeel: als ik eenmaal vér voorbij mijn grenzen ben, word ik zo hyperactief als Jochem Myjer en kan ik voor heel even alles aan.

En zo stond ik vanochtend te tollen in de Appie en bedacht me dat ik dit de volgende keer anders aan ga pakken. De volgende keer na zo’n big event zorg ik gewoon dat de Albert mijn boodschappen komt brengen. In één van de behandelkamers van het revalidatiecentrum hing de tekst: ‘Voel je niet schuldig het gemakkelijker te maken voor jezelf‘ en die moet ik maar eens in de praktijk gaan brengen. Dus de eerstvolgende bruiloft (mocht je je aangesproken voelen: ja, ik bedoel die van jullie, schiet eens op) weet ik wat me te doen staat: eerst online mijn boodschappen bestellen en daarna genieten als een gek!

Het was een fantastische dag en ik ben dolblij dat ik vrijwel alles mee heb kunnen maken. Ik ben ook blij dat ik minder gerust heb dan nodig en meer meegemaakt heb dan verstandig. Want die kater komt toch wel. Ik wist van tevoren dat ik deze week af zou kunnen schrijven en dat ik hier volgende week nóg last van heb. Maar sommige dingen zijn dat waard. Sommige momenten zijn te bijzonder om te missen.

img-20160917-wa00444

La gente esta muy loca

Taal is zeg maar echt mijn ding. Van jongs af aan al. Ik was nooit bang om een andere taal te proberen en kletste op mijn zesde al de oren van de kop van onze Nieuw-Zeelandse vrienden. Een tijd lang kregen wij iedere zomer een paar weken een Duits meisje te logeren, met wie ik gerust ruzies maakte in het Duits. De Duitse vrienden van mijn opa en oma kregen moppen van mij te horen die ik voor de gelegenheid zelf maar even vertaald had.

Ik was geobsedeerd door accenten. Het liefst wisselde ik tussen plat Amsterdams, Rotterdams en bekakt. Hoewel ‘krek, de biefstukk’n groei’n ook nie oan de bom’n’ uiteindelijk behoorlijk vloeiend ging, vond ik Haags en Utrechts moeilijk (hoewel een goede vriend van me beweert dat mijn tongval ondertussen behoorlijk Haags is gaan klinken. Bedankt, Lars…). Naarmate mijn Engels beter werd, wilde ik ook die accenten eigen maken. Nadat ik Braveheart had gezien, heb ik nog weken lang Mel Gibson na proberen te doen. Tot grote ergernis van mijn zussen, uiteraard.

Talen lagen mij gewoon goed. Ik had een ‘talenknobbel’. En hoewel de kleur van mijn haar en het kohlpotlood om mijn ogen op de middelbare school even prioriteit kregen boven die knobbel, bleef de interesse toch bestaan. Toen ik in de vijfde klas uitgenodigd werd om deel te nemen aan een Pre-university Programm, koos ik Zuid-Afrikaanse talen en culturen. Zo kon ik op den duur gedag zeggen in het Zulu. Ik ben vervolgens nooit in Zuid-Afrika geweest, maar voor even was het leuk.

Tijdens een reis naar Peru en Cuba kwam ik voor het eerst in aanraking met Spaans. Waar ik bij onze eerste stop in Lima nog ‘heeft u een boek’ zei, waar ik ‘ik heb een reisgids’ bedoelde, lukte het me een paar weken later in Cuba om gesprekjes te voeren met onze gids en het hotelpersoneel. Een paar jaar later ben ik in mijn zomervakantie een aantal weken naar Spanje gegaan, om in Salamanca écht Spaans te leren. Die weken waren fantastisch. En hoewel ik vooral de Spaanse cultuur goed heb leren kennen (when I went to Spain, and I saw people partying…), kon ik toch een aardig mondje Spaans.

Afgelopen voorjaar, toen ik het idee kreeg dat ik steeds iets meer controle over mijn leven hervond, kwam het idee op weer iets met Spaans te gaan doen. Ik had aan mijzelf bewezen dat ik weer (wat) kon werken, ik had aan mijzelf bewezen dat ik ook weer (iets) aan sport kon doen. Ik kon weer (kleine stukjes) autorijden, boodschappen doen en genieten van een diner in een restaurant. Ik wilde kijken of ik, naast alles wat ik weer herwonnen had, ook de volgende stap zou kunnen zetten. Ik wilde kijken of mijn gekke hoofd ook weer kon leren.

Vol goede moed schreef ik me in voor een cursus Spaans. Een paar dagen vóór aanvang kreeg ik ineens koudwatervrees. Want wat deed ik mezelf aan? Misschien kon ik het niet bijhouden. Was ik de slechtste uit de groep. Mijn zusje, zo’n dyslect en beelddenker dat ze als kind bij het liedje van De Kast uitriep: ‘Maar met vuur kussen doet toch pijn?!’, stelde me gerust. Ze zei: ‘Suus, jij kunt dit. Misschien niet meer zo gemakkelijk als vroeger, maar hier ligt jouw kracht. En je zult het altijd sneller leren dan ik.’

En natuurlijk had ze gelijk. De eerste les was loeizwaar. Hoewel ik alles begreep, kon ik niet op woorden komen, vergat ik de juiste uitgangen voor bepaalde werkwoorden te gebruiken en zei ik ‘patron’ in plaats van ‘jefe’, wat de chef van het restaurant in mijn verhaal ineens tot El Chapo maakte. Maar de tweede les ging gisteren al duizendmaal beter. Ik kon zinnen maken, vertelde wat ik aankomend weekend ga doen, kon de uitleg vrij goed volgen en (en ik weet ook wel dat dit vreselijk is om te zeggen, maar) ik ben niet eens de slechtste van de groep!

Toegegeven, ik heb moeite me het laatste half uur van de les te concentreren. En het huiswerk moet ik echt verspreiden over de dagen van de week. Ik doe er voor mijn gevoel ook vrij lang over en nakijken vanaf mijn laptop levert standaard hoofdpijn op. Verder ken ik geen enkele Spanjaard of Latino om mee te oefenen en gaat Lars al gillen als ik ‘Qué tal?’ roep. Maar ik leer Spaans. Aprendo español. En dat alleen al is weer een mijlpaal op zich.

5eede32583839282863f3c89009bbc66

Ze worden ook wel dertig zonder jou

Nog voordat ik met dit blog begon, las ik het blog van lotgenootje Roosmarijn. Stellen dat zij een inspiratiebron vormde voor mijn eigen blog, is zeker niet overdreven. Ons verhaal kwam ook idioot veel overeen. Ook zij was docente, ook zij had een ongeluk gehad waardoor zij niet meer kon werken, ook zij worstelde met de gevolgen. In één van de eerste posts die ik van haar las, schreef zij dat zij, van alles in het onderwijs, haar collega’s het meeste miste. Het dagelijkse contact met je gelijkgestemden.

En ook dat herken ik. Want ik mis het contact met mijn mede-docenten ook nog iedere dag. Praten over klassen, het onderwijs, individuele leerlingen… Het was iets waar ik iedere pauze enorm van kon genieten. Met de collega’s met wie ik in 2010 gelijktijdig begon op school, bouwde ik fijne vriendschappen op. Mijn collega’s nu zijn fijne mensen, maar veel van hen zijn nog student en staan mijlenver van mijn belevingswereld. Bij hen vind ik niet wat ik bij mijn collega’s op school wel vond.

Toch zijn de collega’s niet wat ik het meeste mis aan het onderwijs. Wat ik het meeste mis, zijn namelijk de kinderen. Die stinkende, brutale, puberende, zwetende, schofterige pubers, ja.

In de zomervakantie kon ik vaak niet wachten tot de nieuwe klassenlijsten op internet werden gezet. Dan keek ik wie ik dat jaar weer les zou geven, welke lievelingen ik meenam het nieuwe jaar in, welk broertje of zusje ik in de klas zou krijgen. Ik vond het geweldig om de kinderen persoonlijk te leren kennen en ze langzamerhand steeds groter en volwassener te zien worden. En natuurlijk heb ik nu ook nog pubers en zie ik degene die ieder jaar terugkomen ook wel opgroeien, maar die dynamiek van de middelbare school is toch compleet anders.

Toen een collegaatje van school een tijd overwerkt was en wel het gevoel had te moeten presteren, zei haar leidinggevende: ‘Ze worden ook wel dertig zonder jou’. Op het moment dat ik uitviel en te horen kreeg dat ik hoogstwaarschijnlijk niet terug zou keren voor de klas, heb ik me die boodschap voor proberen te houden. Het voelde alsof ik ze in de steek liet, het voelde alsof ik mijn afspraken met ieder kind op zich niet nakwam. En hoewel zeker niet ieder kind mij zou gaan missen, vond ik het vreselijk dat ik het grootste deel van hen nooit meer zou zien. ‘Ze worden ook wel dertig zonder jou’, herhaalde ik als een mantra. Laat gaan, het komt goed, het is niet meer aan jou.

Afgelopen maandag gaf ik een gastcollege bij de opleiding ergotherapie op de Hogeschool Rotterdam. Samen met mijn oude re-integratiejuf vertelde ik hen over het belang van re-integratie en werk bij een revalidatietraject. En daar, in de zaal vol tweedejaars, zat een oud-leerlinge van me. Ik herkende haar direct en niet veel later viel ook haar naam mij weer in. Ze zat enthousiast te typen en stelde bijzonder goede vragen. En even stond ik weer voor A2b en A3b. De druktemakers. Waarin zij een fijne, positieve kracht was geweest.

Ik vond het geweldig leuk om dat gastcollege te geven, heerlijk om weer voor zo’n groep te staan en mijn praatje te houden. Maar het allerleukste van die middag vond ik toch wel dat ik haar even zag. Groot geworden en ogenschijnlijk volledig op haar plek.

Want ik weet heus wel dat ze ook wel dertig worden zonder mij. Dat ik op het totale plaatje van zo’n kind maar minimale invloed heb of heb gehad. Maar om een oud-leerlinge dan, opgebloeid en volwassen geworden, nog één keer te zien, op weg naar die dertig… Dat is toch wel een cadeautje!

95fe0a3802b78c4356bb72b739c6d6b0