Gewoon mezelf

Tijdens mijn gastcollege een paar weken geleden, kreeg ik de vraag of het niet gemakkelijker voor mij zou zijn als ik me rustiger zou gedragen. Ik kwam nogal druk over, legde de vraagstelster uit en zou ik mijn dagen niet beter volhouden als ik een tandje terug zou schakelen?

En even dacht ik: ‘Verdorie, die griet heeft gelijk! Als ik nou in plaats van in de zesde versnelling in de derde zou proberen te leven. Als ik nou terugschakel van mach 3 naar 1, als ik gewoon eens mijn gemak houd, niet zo druk doe, niet zoveel praat, niet alles er maar uitflap wat ik denk. Als ik gewoon een stuk rustiger zou doen de hele dag, zou ik dan niet inderdaad gewoon energie overhouden?’

En dat is een aantrekkelijke gedachte. Want ik plaats mezelf vaak op de voorgrond. Netjes gezegd ben ik allesbehalve een muurbloempje. Wat grover gezegd ben ik druk en luidruchtig. Zo ben ik altijd al geweest. En hoewel ook dat over het algemeen wat is getemperd na het ongeluk, maak ik nog steeds veel herrie en val ik nog altijd behoorlijk op. En soms, wanneer ik moe ben en mijn grenzen zoek zijn (of wanneer ik een wijntje of twee genuttigd heb), zijn ook mijn remmingen verdwenen en ben ik zelfs een graadje erger dan dat brutale meisje met bril dat ik vroeger was.

Dus die vraag van die studente, of het niet slimmer zou zijn me rustiger te gedragen zodat ik niet direct door al mijn energie heen zou vliegen, heb ik mijzelf vaak genoeg gesteld. En het antwoord daarop is natuurlijk ja. Maar haalbaar is het niet.

Ik ben wie ik ben. Zoals ik vroeger al riep, met mijn knalrode haar, zwartomrande ogen en felgekleurde visnetpanty’s: ‘Ik ben gewoon mezelf’. Het kost moeite je anders voor te doen dan je bent. Probeer maar eens een paar dagen de ideale schoondochter uit te hangen op familieweekend met de kouwe kant. Dat is slopend. Ik kan wel proberen om een bedaard persoon te worden, maar dan zou ik al mijn energie kwijt zijn aan het intomen van die persoonlijkheid die de hele tijd op iedere prikkel wil reageren.

Ik ben al behoorlijk veranderd ten opzichte van vroeger. Op het feestje van mijn vader stond ik niet bazig iedereen aan de goede kant van de barbecue te dirigeren, maar aan een statafel een sateetje te eten. Met kerst bij mijn schoonouders pak ik niet de gitaar om vals liedjes te gaan zingen, maar blijf ik rustig aan tafel zitten met mijn glaasje wijn. Maar op die momenten ben ik moe of overprikkeld. Of een combinatie van beiden. Wanneer ik me goed voel (of zó moe en overprikkeld dat ik doorsla), ben ik net zo luidruchtig en vervelend als ik vroeger was. En ja, dan ventileer ik graag mijn mening. Zelfs al die nergens op slaat. Dan ga ik graag met je in discussie, zelfs als ik die onmogelijk kan winnen. Dan maak ik graag plannen die ik op geen enkele manier kan volbrengen. Dan poets ik energiek de badkamer of lap ik in een opwelling de ramen en moet ik daar de rest van de dag van bijkomen.

En dan lig ik met de gordijnen dicht op de bank of in bed en denk ik nog eens aan de vraag van die studente. Is het handig dat ik zo druk ben? Zeker niet. Maar ik ben gewoon mezelf. En ik heb de energie niet daar echt iets aan te veranderen.

En als jullie het goed vinden, ga ik nu mijn haar rood verven en de Guano Apes luisteren. Joe!
(Nee hoor, grapje. Ik ga weer naar bed)

803b48d88ee94b015a2b925b2c73327c

Crochet everyday keeps the doctor away

2aaf91ecb24f478e937bc8f6ce27af4c

Ik kan niet op de bank gaan zitten, zonder dat ik iets te haken erbij pak. Dit tot grote frustratie van Lars, die graag tegen me aan zit of zeurt om een voetmassage, maar tegen wie ik, zodra hij in de buurt komt, heel hard: ‘Je zit op mijn wol!!’ of, zodra hij begint te praten, steeds harder: ‘Achtenveertig, negenenveertigVIJFTIG!’ roep. Ik heb een kast vol wol, die stiekem uitgebreid is naar een grote mand op de vloer (en de oude dekenkist in de hoek, maar dat weet Lars niet) en ik heb meer patronen op Pinterest verzameld dan ik in vijf levens zou kunnen haken. Je zou dus best kunnen zeggen dat ik verslaafd ben. En ik zie dit niet als een probleem.

Eigenlijk kijk ik dus nooit meer tv zonder dat ik ook tegelijkertijd een sjaal haak. Of een knuffel, of vloerkleed, of muts. De Gilmore Girls ratelen op de achtergrond terwijl ik een paar sloffen afmaak. Ik heb alle seizoenen van House ‘gezien’ zonder dat ik echt weet hoe de hoofdrolspelers eruit zien. House zelf wel uiteraard, maar de rest…? Ik mis het plot in CSI New York, vergeet op te kijken als ze het huis opleveren bij Uitstel van Executie en gelukkig kan ik terugspoelen bij Netflix als ik dat ene romantische moment gemist heb waar die hele serie eigenlijk om draait (Gran Hotel, Julio en Alicia, zó romantisch!).

Zonde, dacht ik dus laatst en ik nam mezelf voor weer eens net als vroeger met een kop thee op de bank te kruipen en echt eens een documentaire te kijken. Zonder afleiding. En na tien minuten liep ik al door het huis te banjeren om allemaal dingen te ondernemen die ineens heel nuttig leken.

Ik heb aandachts- en concentratieproblemen. Dat weet ik wel en dat merk ik bij vrijwel iedere taak die ik uitvoer. Ik laat om het minste of geringste alles uit mijn handen vallen en keer drie uur later terug naar een wasmand vol natte kleren die ik aan de lijn aan het hangen was vóórdat ik perse (ik noem maar een zijstraat) mijn teennagels moest lakken. Als ik iets bedenk wil ik het nu ook meteen doen, ook omdat ik anders vergeet dat ik het wilde doen. Waardoor ik direct weer vergeet waar ik mee bezig was en wat mij in een vicieuze cirkel stort van impulsieve acties en halfafgemaakte taken.

Maar bij haken heb ik dat nooit. Dat kan ik uren volhouden zonder dat ik op iedere prikkel hoef te reageren. Het is soms bijna meditatief. Het is alsof ik mijn hoofd voor de gek houd en door de mist en ruis gewoon bij rust terechtkom. Toen mijn zus en ik twee jaar geleden bijvoorbeeld al het papierwerk voor mijn WIA-keuring uitzochten en ik van vermoeidheid geen normale zin meer aan elkaar kon breien, pakte ik mijn haakwerk erbij en kon ik ineens weer gewoon terug praten. Het is pure magie.

En dus zit ik met de contradictio in terminis dat ik haak terwijl ik tv kijk en de tv dus niet echt zie. Want alleen zo kan ik vijftig minuten lang een serie volgen. Dat ik vervolgens geen tijd of ruimte heb om met Lars te knuffelen, is natuurlijk niet zo best voor mijn relatie. Dat ik niet vijftig minuten lang zit te kwijlen op Neal Caffrey dan weer wel.

948d227e1064669c98da391ff97cce42

Spiegeltje, spiegeltje

Ik heb een nieuwe bril. Zo’n hippe met een kick doorzichtig kunststof montuurtje. Hoewel mijn ogen nog altijd verschrikkelijk moe zijn van het wennen (duurt dat ook langer bij NAH of moet ik gewoon terug met deze glazen?), kan ik wel alvast zeggen dat hij me goed staat. Mits ik fit ben, een hele bak make-up op smeer en helder uit mijn ogen kijk.

In de ambulance, direct na het ongeluk, drukten de broeders me op het hart dat ik me echt geen zorgen hoefde te maken over die tanden en dat ze een hele hoop mooie dingen konden maken tegenwoordig. En toegegeven, mijn gebit is redelijk opgelapt. Als ik nu glimlachend voorbij loop, denkt er echt niemand: ‘Heb je die tánden van die chick gezien?!’ Ook het scheurtje in mijn jukbeen en de barst in mijn gehemelte zijn onzichtbaar hersteld. Wanneer ik naar buiten ga, doe ik wat leuke oorbellen in, trek ik hippe kleren aan en plamuur ik een laag kohlpotlood rond mijn ogen. Als je me vluchtig bekijkt, wijst er niets op dat er iets aan de hand is met me.

En toch zie ik het. Als ik in de spiegel kijk, kijkt er een vreemde terug. Alleen het fysieke is al veranderd. De wang waar ik op ben geklapt is dikker en breder als ik glimlach, mijn ene mondhoek gaat verder omhoog dan de ander. En mijn tanden, ooit recht en puntig en dankzij een beugeltje vrijwel perfect, zijn eigenlijk ook maar een zooitje ongeregeld. Om stabiliteit te geven is de rechterkant opnieuw opgebouwd en sindsdien langer gehouden. Als ik mijn gezicht ontspan, hangt de rechterkant er tegenwoordig dus maar een beetje bij.

Maar naast het fysieke, is mijn hele uitstraling veranderd. Zeker als ik moe ben. En dat ben ik helaas nogal vaak. Mijn gezicht gaat hangen, mijn ogen gaan dof staan. Ik trek me terug in mijzelf en dat is te zien. In de spiegel staren lege ogen terug. En dat terwijl die altijd mijn kracht waren. Met één blik kon ik mijn guppen het zwijgen opleggen of gratis drankjes versieren tijdens het stappen.

Laatst plaatste lotgenootje Roosmarijn een foto van zichzelf op haar blog na het snoeien in de tuin, om te laten zien hoe het echt is. Hoe het ook is. Ik vond dat zo’n ontzettend dappere zet van haar. Want bijna niemand ziet het, omdat je ons pas ergens tegenkomt op onze goede dagen of momenten. Dan is er inderdaad bijna niets te zien. Dan lijkt het inderdaad normaal.

Wanneer mensen zeggen dat ze het echt niet zien of dat ik er prima uitzie, weet ik ook wel dat het lief bedoeld is. En dat ze het vaak ook menen. Maar ik zie er dan misschien niet gek of raar of ziek uit, ik zie er niet meer uit als mezelf. Niet altijd in ieder geval. En dat blijft toch moeilijk om mee te dealen.

Mijn nieuwe, kekke, doorzichtige montuurtje brengt mijn ogen naar voren. En dus is er voor mijzelf geen ontkomen aan. Mijn vermoeide, doffe ogen worden nog eens extra geaccentueerd. Dus houd ik voorlopig mijn oude bril ook nog maar. Voor die dagen dat zelfs mijn halve flesje mascara niets teweeg kan brengen en ik achter donkere randen wil schuilen. Al is het maar om mijzelf in het voorbijgaan nog te herkennen in een willekeurige winkelruit of spiegel. Want misschien ziet niemand anders het, ik zie het zelf wel.

En jullie binnenkort dus ook. Kom je me tegen en heb ik mijn donkerbruine bril op: wees maar extra lief, ik heb het dan vast nodig. En met ‘extra’ bedoel ik chocola en met ‘lief’ ook.

11bf9ddc24f21160667f920e73fa1a1e