Onbekend terrein

De laatste tijd (zo’n twee jaar ongeveer, laten we het niet overdrijven) merkte ik dat ik steeds minder te bloggen had. Want dat gekke hoofd van mij wende wel zo langzamerhand. Ik was alle situaties inmiddels wel zo’n beetje tegengekomen en wist wat ik van het leven en mijn reactie daarop kon verwachten. Zoals ik al eerder schreef: er was een nieuwe normaal. En dus dacht ik dat ik misschien klaar was met bloggen, met mijn gedachten op het scherm zetten en jullie laten delen in wat er speelde.

Boy, was I wrong

Want ja, ik weet hoe ik reageer tijdens een verhuizing, een vakantie, een lange autorit of wanneer er een stroomstoring is op Schiphol en alle vertrekhallen op slot gaan, ik verdrink in een zee van vakantiegangers en koffers en ik al volledig doorgedraaid en overprikkeld ben voordat ik goed en wel een voet in het vliegtuig heb gezet. Ik ken mezelf in die situaties, ik weet wat ik aankan en wat ik niet aankan maar toch doe omdat ik weet hoe zwaar de terugslag gaat zijn. Het is inmiddels allemaal bekend terrein. Ik hoef daar niet meer over te schrijven.

Maar het leven zou het leven niet zijn als het je niet blijft verbazen. In positieve of negatieve zin. En het voelt alsof ik vooral dat laatste de laatste tijd op mijn bordje krijg.  Ik weet van mezelf hoe ik omga met tegenslag die mij aangaat. Toen ik hoorde dat ik moest stoppen met werken, bijvoorbeeld, of iedere zeikbrief van de letselschadezaak die in mijn inbox verschijnt. Maar hoe ik omga met verdriet en teleurstellingen die buiten mijzelf liggen – ziektes in de familie, ellende om me heen, verbroken relaties, noem het maar op – dat weet ik nog niet. En helaas is dat iets wat ik de komende tijd waarschijnlijk moet gaan onderzoeken.

En dat brengt mij op een ietwat vreemd punt; al bijna vijf jaar schrijf ik hier eerlijk over wat ik meemaak en voel. Ik heb mijn hart regelmatig open en bloot op tafel gelegd en angsten en verdriet met de hele wijde wereld gedeeld. Maar nu weet ik niet hoe persoonlijk ik wil worden, hoeveel ik wil vertellen. Het is allemaal prima wanneer twijfels en onzekerheid of ellende en verdriet mijzelf aangaan, maar wanneer het de mensen die ik liefheb betreft, komt het ineens heel dichtbij.

Ik zit thuis en dat helpt niet. Er is geen werk waar ik naartoe kan vluchten om afleiding in te zoeken. Zonder afleiding is de confrontatie soms maar moeilijk te ontvluchten. Daarbij komt dat mijn gekke hoofd kan blijven hangen op gedachten of ideeën en ik me daar maar met moeite van kan losweken. En dus is daar ineens mijn blog weer. Een uitweg uit mijn eigen malende hoofd. Een manier om orde aan te brengen in de chaos, van me af te schrijven wat ik voel. De vraag is nu alleen nog of ik dat wel wil. Omdat ik op dit blog waar mijn hele gevoel bloot ligt als zenuwuiteinden tijdens een wortelkanaalbehandeling, het wel héél persoonlijk vind worden allemaal.

a6af6d582deda09e47f35d0726b20067

Advertenties

JOMO

Omdat mijn persoonlijke Grinch geen boom in huis wilde, kocht ik een soort kerststruik, zette hem in een gouden pot, hing er wat ledlampjes in en versierde de spiegel op de schouw met een ander lichtsnoer. Het is december, de feestdagen staan voor de deur en het eerste wat ik er dit jaar bij dacht was; ‘het moet maar weer’.

Al eerder heb ik geschreven over hoe mijn rare hoofd steeds meer een deel van mijn leven is geworden. Zoals ik toen schreef: er is een nieuwe normaal. Ik ben de meeste situaties al een keer tegengekomen sinds het ongeluk, weet van mezelf hoe ik reageer op gebeurtenissen en weet regelmatig niet meer hoe het vroeger was, vóórdat alles zo drastisch veranderde. Het went. Godzijdank went alles.

En dus ga ik opnieuw de feestdagen in met mijn gekke hoofd. Maar dit jaar valt me iets op; ik kijk er niet zo tegenop als andere jaren. Lange tijd vond ik het echt lastig, namelijk. Al die drukte, die gezelligheid. De lampjes, de muziek, het vuurwerk, de herrie. De duizenden afspraken, sociale verplichtingen, kaartjes en berichtjes. Ik wilde alles meemaken, overal op reageren, de feestdagen navigeren tussen wat ik allemaal wilde doen en wat er uiteindelijk mogelijk was. Vaak sloeg ik door, vaak was de balans – zelfs na heel serieus plannen – toch volledig zoek.

Dit jaar voelt het anders. Ik hóef van mezelf namelijk niet overal aan mee te doen. Sterker nog – ik wil het niet eens. Waar ik andere jaren nog heel erg het gevoel had dat ik dingen mis zou lopen en bang was voor de FOMO, voel ik nu het tegenovergestelde: JOMO. The Joy of Missing Out. Dit jaar ga ik ervan genieten dat ik het circus zoveel mogelijk aan me voorbij laat gaan.

Het duidelijkste voorbeeld daarvan gaat Oud & Nieuw zijn. Ieder jaar kijk ik daar tegelijkertijd naar uit en tegen op. Ik wil een leuk feestje vieren met fijne mensen, maar zit op hetzelfde moment al vanaf ’s ochtends vroeg met mijn Noise cancelling headphones op mijn hoofd ongelukkig op de bank te doen alsof ik geen last heb van alle knallen buiten. Ik drink ’s avonds veel, om de prikkels maar te dempen en het feest vol te houden. En vervolgens heb ik een kater van een week en drie weken later nóg last van dat ene feestje. Oud & Nieuw zuigt me ieder jaar leeg als een leger bloedzuigers op een been.

Handenwrijvend heb ik dit jaar dus mijn nieuwe plan opgesteld. Ik ga de stad uit. In het huis van mijn ouders middenin de polder, ga ik de oudejaarsconference kijken en een Mount Everest aan oliebollen eten. Ik ga naar het vuurwerk van de stad in de verte kijken en om kwart over twaalf naar bed. Ik kan me nu al wentelen in die JOMO. Ik vind het niet ongezellig dat ik niet bij Lars of vrienden ben. Ik vind het niet zielig voor mezelf om me te onttrekken aan het gekkenhuis. Ik kies er heel bewust voor. Dit jaar ga ik voor rust en stilte. En dan hopelijk, als alles meezit, begint mijn nieuwe jaar voor de verandering een keer op 2 januari, in plaats van op 20.

ef279b5e9a4c10b0b6a0ac8764ff54a3

PS. I love you

43c2debb05b6591b494b7c3f32cbfa72

De slaap nog uit mijn ogen wrijvend, fietste ik naar de tandarts. Mopperend op de vlaag van verstandsverbijstering die mij blijkbaar was overvallen op het moment dat ik deze afspraak op zo’n onchristelijk tijdstip maakte. Waarschijnlijk had ik bedacht dat ik ’s ochtends vroeg op mijn best was. Ik had er alleen niet bij stilgestaan dat er ook nog zoiets was als té vroeg.

Voor me fietste een klein meisje met een hele grote tas. Haar glimmende, nieuwe fiets was duidelijk op de groei gekocht. Toen ze bij het stoplicht probeerde één voet op de grond te zetten, gleed ze met enorme tas en al van haar zadel af. Ze slaakte een zenuwachtige giechel. ‘Ach gos,’ dacht ik, ‘brugpieper op haar eerste schooldag.’

Het zette me aan het denken. Aan hoe ik de eerste schooldag altijd vormgaf voor mijn kleine guppen. Ik heette ze welkom, stelde mezelf voor, maakte vaak een paar domme grappen om de spanning van die eerste dag af te halen, maar vertelde ook meteen duidelijk welke regels er in mijn lokaal waren. Er was altijd wel één klein jongetje dat die regels meteen brak door zenuwachtig fluisterend een vraag aan zijn buurjongetje of -meisje te stellen. Die stelde ik dan meteen lekker tot voorbeeld. Er bovenop. “Kun jij me misschien uitleggen wat er net niet helemaal helder was? Volgens mij zei ik heel duidelijk: ‘als ik praat, dan zijn jullie…?'” De eerste maanden de teugels strak aanhouden, dan liep de rest van het jaar wel los. Ik was niet perse streng, wel lekker duidelijk.

Toen ik moest stoppen met werken, brak mijn hart een beetje. “Misschien kun je iets anders gaan doen,” opperde mijn zusje. “Huiswerkbegeleiding bijvoorbeeld?” Ik wilde niets anders gaan doen. Ik wilde voor de klas en anders niet. Juf Suus tot in den eeuwigheid. Het was alsof de liefde van mijn leven mij net gedumpt had en mijn zusje met één of ander suf surrogaat aan kwam zetten en zei: “Ja, maar deze heeft óók bruin haar!” Ik wilde die lamme zak niet, met zijn bruine piekhaar, ik wilde mijn ex terug.

Toen ik eenmaal in het reine was gekomen met het idee dat ik waarschijnlijk nooit meer als geschiedenisdocente aan de bak zou gaan, leek die lamme zak toch ineens een mooi alternatief. Toegegeven, het was niet die mister right die ik achtergelaten had, maar ik werkte weer met pubers, ik kon weer dingen uitleggen, aanleren, afleren soms ook. Ik had weer een doel en een functie en ik draaide weer mee. Het bleef alleen ook nogal veel van me vragen. Met die twee middagen in de week, 3 uur per dag werken, was ik vier volle dagen zoet. Uitrusten, slapen, bijkomen, opladen. Ik gaf een uurtje bijles op een middelbare school. Ik had een klasje van vijftien gymnasiumguppies die meestal vriendelijk knikkend aan het werk gingen wanneer ik dat zei. Die vijftig minuten les kostten me vaak een hele dag hoofdpijn. Het was alles wat ik wilde – weer terug voor de klas – maar het was tegelijkertijd het meest confronterende wat ik kon doen. Het liet mij namelijk zien dat méér er echt niet meer inzat.

Het afgelopen schooljaar ben ik niet meer aan het werk gegaan bij de huiswerkbegeleiding en ook dit nieuwe jaar ga ik niet aan de slag. Ik heb nieuwe dromen, een nieuwe uitdaging. Voordat ik mijn baan opzegde, twijfelde ik nog heel lang of ik niet hartstikke gek was geworden. De kolder in de kop had gekregen. Wat was er mis met mij? Oké, ik kon die prins op het witte paard misschien nooit meer krijgen, maar nam ik dan ook echt geen genoegen meer met een ridder op een ezel? Wilde ik écht vaarwel zeggen tegen het onderwijs, tegen die pubers, tegen juf Suus?

Om eerlijk te zijn heb ik er geen moment spijt van gehad. Ik had het nodig, die huiswerkbegeleiding, om aan mijzelf aan te tonen dat het nog kon. Dat er nog íets mogelijk was. Ik kon nog werken met kinderen en ik had het me niet ingebeeld dat ik goed was met pubers. Ik had ontdekt waar mijn grenzen lagen, wat nog kon, maar ook wat absoluut niet. En blijkbaar was dat voldoende. Blijkbaar was dat wat ik nodig had om het voor eens en voor altijd achter me te laten.

De afgelopen jaren heb ik vaak de onweerstaanbare behoefte gevoeld om weer voor de klas te gaan. Meesterbaan.nl afspeurend naar hypothetische banen, dronken op een bruiloft alle leden van de geschiedenissectie van Lars’ school vragen of ze niet één klein klasje voor mij hadden. En als ik morgen wakker werd zonder hoofdpijn, zonder overprikkeling, zonder gekke kop, dan zou ik zonder met mijn ogen te knipperen in de auto stappen, naar school rijden, de sukkel die mij vervangen heeft de klas uit kieperen en zelf weer mijn lesjes draaien. Maar het zit er niet in en het is oké. Voor het eerst in jaren is het oké.

Ik haalde het meisje in, bedacht me dat bruggers echt ieder jaar kleiner worden, botste bijna op een nieuwe kudde scholieren en koos een nieuwe route die mij niet langs de helft van de Haagse middelbare scholen zou leiden. Het is tot daar aan toe om vrede te hebben met een akelige break-up. De liefde van mijn leven in al zijn eerste-dag-van-het-schooljaar-glorie aanschouwen (met zijn aanstekelijke mix van frisse docenten, uitgeruste leerlingen, schone lokalen en gebakjes in de personeelskamer), is een heel ander verhaal.

2af802b9f167454c5da433efba368792

Topsport

e3f0a043d8bd066e4fd38cba25597bc7

Ik preek ‘lief zijn voor jezelf’ alsof het een religie is. Maar net als een Amerikaanse evangelische televisiepredikant die armoede en eenvoud predikt maar rondreist in zijn persoonlijke privéjet, volg ik mijn eigen wijze woorden het slechtste van iedereen. Ik weet bijvoorbeeld heel goed dat ik na anderhalf uur gezelligheid eigenlijk naar huis moet en toch blijf ik hangen. Ik weet ook dat ik na meer dan één wijntje mijn grenzen niet meer voel en toch neem ik een tweede. Ik weet dat ik mijzelf niet (meer) langs dezelfde meetlat kan leggen als anderen en toch blijf ik het doen. Sterker nog: ik wil nog altijd beter zijn dan de rest.

Waar ik als kind nooit veel interesse toonde in sport (tijdens de korfbalwedstrijd keek ik naar de vliegtuigen in de lucht in plaats van naar de bal), ontwikkelde ik in de laatste jaren vóór het ongeluk een kleine obsessie. De sportschool was mijn home base en ik gooide blij gewichten in het rond tussen de gespierde mannen voor de grote spiegels. Ik speelde volleybal voor de lol en rende rondjes om mijn hoofd leeg te maken. Na het ongeluk viel dit allemaal weg en ik moest volledig stoppen met sporten tijdens mijn revalidatie. Ik hield namelijk teveel spanning vast en ik moest van de therapeuten eerst maar eens leren ontspannen.

Dat ging best een tijdje goed. Volledig zen en gelukkig in het Grote Nu, was ik alleen maar dankbaar toen ik weer een beetje kon gaan sporten. Een beetje yoga, een rondje rennen… Het was allemaal een cadeautje en ik genoot er met volle teugen van. Toen ik met vallen en opstaan begon met beachvolleybal, kon ik mijn geluk al helemaal niet op. Toegegeven; ik moest de dagen dat ik trainde vooral niets doen, tijdens de trainingen regelmatig een pauze inlassen en bepaalde oefeningen die teveel van mijn evenwicht of concentratie vroegen, moest ik helemaal overslaan, maar mán… Ik volleybalde weer! Ik deed weer mee!

Waar dat precies omgeslagen is, weet ik niet. Maar alleen meedoen is niet langer genoeg. Laatst ging het tijdens een training op het strand niet zo lekker en moest ik eerder stoppen. “Je bent er tenminste!” zei de trainer. “Je bent helemaal naar het strand gefietst en hebt een stukje meegedaan en dat is al veel meer dan op de bank blijven zitten!” “Pfffft…” zei ik en ik maakte een ongeduldig wegwerpgebaar. Op komen dagen is niet langer genoeg. Ik wil beter worden, excelleren, gespierd en slank en een combinatie zijn tussen Madelein Meppelink en Candace Moore. Ik wil kortom niet alleen maar lekker sporten, ik wil de beste zijn. Of dan toch op zijn minst beter dan de rest.

Ik moet maar weer eens luisteren naar mijn eigen preken. Lief zijn voor mezelf. En dat betekent niet het verwrongen Instagramideaal van een afgetraind lijf en groene smoothies de hele dag. Lief zijn voor mezelf betekent voor mij dat ik luister naar wat er kan, rust neem wanneer dat nodig is en blij ben met alles dat wel lukt. En dat is nog best veel. Afgelopen weekend speelde ik bijvoorbeeld zelfs een beachvolleybaltoernooitje. Niet alle wedstrijden en halverwege de middagpoule ging ik naar bed, maar HALLO, dit had ik twee jaar geleden toch niet durven dromen? Een weekendje weg met vriendinnen en ook nog spelen… Het is misschien geen eredivisie volleybal of Instagramwaardige yoga, maar voor mij is het eigenlijk gewoon topsport.

e55dfc3f1e2c3c3119c858e8b01c288e

Mopperblog

Ik belde de huisarts voor het maken van een afspraak. Er werd niet opgenomen. Het had me al heel wat moeite gekost om de telefoon op te pakken. Zo vlak na de vakantie ben ik altijd enorm chaotisch, rommelig, ongeconcentreerd en initiatiefloos en bellen is sowieso een taak waar ik al mijn energie (en moed) voor bij elkaar moet schrapen. En toen namen ze dus niet op. Om te janken.

Ik wilde een mopperblog schrijven. Over op de verschrikkelijkste dag van het jaar op Schiphol zitten met je rare hoofd aan het begin van de vakantie, over ’s avonds terugvliegen zodat je ‘nog iets aan je laatste dag hebt’ terwijl ik de hele dag op mieren zit omdat ik dat eigenlijk gewoon heel slecht kan. Over thuiskomen en rust nodig hebben en dat er dan bij de buren verbouwd wordt, in de tuinen verderop gezaagd wordt en door de buurkindjes in de straat geschreeuwd wordt. Over dat de schoonmaakster stopt en ik een nieuwe moet zoeken, maar ook dáár het initiatief niet voor weet te vinden. Over dat het honderddertigduizend graden is buiten en ik het om één of andere reden in Spanje een stuk beter trek dan hier in Nederland. Of over dat ik óók nog eens besloten heb een alcoholvrije maand in te lassen en daar nu al spijt van heb.

Maar weet je wat het is? Ik heb de huisarts uiteindelijk te pakken gekregen, ik heb mijn noise cancelling headphones nog niet opgeborgen na de vakantie, dus die zet ik lekker op vandaag en het voordeel van warm weer is dat ik geen pijnlijke zere-benen-broeken aan hoef. Ik heb nog een lekker boek op standje slechtziend op mijn e-reader staan, ga met een kop koffie in de schaduw op het balkon zitten en ik laat morgen de vriendelijke pubers van de Picnic gewoon weer de boodschappen bezorgen. Ik wilde vijf seconden een mopperblog schrijven en toen verdween die behoefte als sneeuw voor de zon. Zo erg is het allemaal niet.

Ik heb namelijk een fantastische vakantie gehad en ik voel me nu klote omdat ik daarvan moet bijkomen. Dat is niet erg, dat was het waard. Wanneer ik me slecht voel, is het altijd gemakkelijker om te klagen over het leven en de hele santenkraam en relativeren voelt dan als topsport, maar hé: ik ben op vakantie geweest. Ik ben bruin geworden (of nou ja – minder wit), ik heb het enorm naar mijn zin gehad en gelachen tot ik er buikpijn van kreeg. Ik ben weer lekker thuis en ik heb alle tijd om bij te komen. En bovendien is het veel te warm om te mopperen. Ik doe graag stoer en ik krijg dat ingebouwde sarcasme maar niet uitgeschakeld, maar stiekem heb ik echt, écht niets te klagen.

b3333a364007afce7980ce06c11a909b