Tinderland 1.0

Onderzoeksverslag: Eerste bevindingen na empirisch onderzoek in Tinderland

Laat ik vooropstellen: de spoeling is dun. Er zitten honderdduizend mannen op Tinder maar slechts een enkeling lijkt leuk genoeg. Misschien ben ik te kritisch en moet ik kandidaten die ‘opzoek’ aan elkaar schrijven of zichzelf omschrijven als ‘leuke jongenman’ (ja, met die n ertussen inderdaad) een kans geven, maar ik kan het niet. Misschien moet ik niet zeuren over jongens die op hun 33e nog geen kapsel hebben gekozen en hun haar nog altijd met van die gele supermarkt gel in een soort rechte kroon als het vrijheidsbeeld omhoog zetten zoals in 2003 of die eigenlijk geen andere hobby’s hebben dan ‘Netflix en vrienden’, maar het lukt me niet. Ik wil graag iemand met een beetje persoonlijkheid. En hersens.

Maar goed, er zijn wel degelijk matches. En hoewel er ook tussen die matches extreme droogstoppels zitten die mijn humor overduidelijk niet begrijpen (“Oh, ik heb het enorm druk gehad dit weekend. Met krokodillen geworsteld, vrede gebracht in het Midden-Oosten, en jij?” “Niet zoveel. Gewoon gechilld.”), zijn er ook mannen waar ik daadwerkelijk gesprekken mee weet te voeren. Leuke gesprekken. Gesprekken die verder komen dan alleen die eerste paar berichtjes over en weer. En die dus uiteindelijk aanbelanden bij het hersenletselhoofdstuk (3 keer woordwaarde).

De slechtste manier om te reageren, heb ik ondervonden, is niet eens het ghosten. De mannen die gewoon in het niets verdwijnen nadat ik in de meest globale ‘haha ja ongelukje, gaat prima met me, echt’ – termen heb uitgelegd wat er aan de hand was, kiezen er gewoon voor om hun waar bij de buren te halen en dat kan ik ze niet echt kwalijk nemen. Nee, de ergste manier is als ze er totaal misplaatste grappen over maken. Begrijp me niet verkeerd, ik maak graag en veel grappen over mijn eigen domme hoofd en ik vind dat we er maar beter om kunnen lachen dan het allemaal te zwaar te maken. Maar iemand die me ‘gehandicapt’ noemde, was wel meteen af. Wat een stigmatiserende kutterm. Iemand die zei dat hij het begreep en of ik dan niet gewoon een beter bed aan moest schaffen, want een goed matras maakte echt enorm uit voor je nachtrust, was ook af. Doei, ik heb in het dagelijks leven al voldoende te maken met onbegrip en het gevoel mezelf te moeten verdedigen. Daar ga ik met een willekeurige Tinderman echt niet aan beginnen.

Maar er zijn ook mannen die me positief verrassen. Die zo goed reageren dat ik me veilig genoeg voel om meer tekst en uitleg te geven. Die ene man die “Wat goed dat je er zo goed mee om weet te gaan. Respect!” zei, kreeg 10 punten. Of de man met wie ik dit gesprekje voerde:
“Jezus Suus, als je nog eens wat weet…”
– “Zie je niks van hè, op de foto’s?”
“Dat je een been mist en in een rolstoel zit, bedoel je?”
– “En de hele dag kwijlend in een hoekje zit, ja.”

Topreactie. Grapjes zijn meer dan welkom, ik neem mezelf ook alles behalve serieus. En het is geen ernstige, dodelijke ziekte dus we hoeven niet meteen in volle rouw en het extreem zielig te maken. Maar ja, het is even heftig, het is misschien incasseren. En daarna praat ik graag weer verder over debiele dingen die nergens op slaan en waar ik zelf vooral keihard om moet lachen.

En als ze later, wanneer ik me veilig genoeg voel om meer te vertellen, alsnog afhaken – of dat nou vanwege mijn vreselijke karakter is of vanwege mijn letsel – dan staat ze dat natuurlijk helemaal vrij. Maar het zijn wel deze pareltjes waar ik naar speur. Misschien maakt me dat veeleisend en ik weet wel zeker dat het mijn zoektocht op Tinder danig beperkt, maar ik wil geen genoegen nemen met zomaar een ‘jongenman’. Ik ben ‘opzoek’ naar het echte werk.

d166ddd706f715ded9d286e0c8fe8e91

Advertenties

De speeddate

2f011b97d2d94618011601b9b975d835

Vijf minuten zijn niks. Drie keer met je ogen knipperen en ze zijn voorbij. Vijf minuten op de tram wachten, vijf minuten te vroeg voor een afspraak. Het is zó om. Totdat je tegenover iemand zit met wie je níets te bespreken hebt. Dan duren vijf minuten een eeuwigheid.

Het leek ons hilarisch; een avond speeddaten. Het was iets dat mijn zusje en ik alleen maar kenden uit series en films en waarvan we, toen we nog lekker veilig ‘vast’ zaten, zeiden dat we het ooit een keer wilden doen. Gewoon, voor de lol. Voor het eerst in ons leven zijn we tegelijkertijd vrijgezel en ‘mochten’ we het ineens ook doen. En zo schreven wij ons in voor een avond speeddaten. In de Millers. Alleen de locatie al was tekenend voor hoe we ons erbij voelden: enigszins gênant en je moet er eigenlijk flink dronken voor zijn.

Het ging me niet om de volgende liefde van mijn leven te vinden. Ik vind het geen probleem als die nog even op zich laat wachten. Het ging me erom om een leuke avond te hebben, een ervaring rijker te zijn. En uiteraard om te zien hoe het is als ik tegenover wildvreemden zit en het verhaal vertel. Hóe ik het verhaal zou vertellen. En bovenal; hoe zij zouden reageren.

Vijf minuten zijn niks. Ik wist dat ik niet het hele verhaal – vol nuances en zijwegen, relativering en zelfspot – uit de doeken zou kunnen doen. Daar was simpelweg niet genoeg tijd voor. En dus had ik me vooraf voorgenomen om alvast na te denken over een riedeltje. Na te denken over wat ik zou zeggen, over wat ik wel of niet zou vertellen. Het klinkt stom, maar ik wil niet alleen maar zeggen dat ik nu blog en veel haak. Ik wil nog altijd graag overbrengen dat ik heus wel gestudeerd heb, dat ik echt wel hersenen heb (ook al zijn die een beetje geklutst). En dus koos ik uiteindelijk voor een zo neutraal mogelijk ‘Ik was vroeger geschiedenisdocente, maar tegenwoordig blog ik en ontwerp ik haakpatronen’. Dat nam ik me vooraf voor te vertellen, in ieder geval.

Eenmaal daar was alles anders dan verwacht, natuurlijk. Ik realiseerde me dat ik een keuze had. Ik hoefde niet alles te vertellen, niet mezelf volledig te laten zien. Ik kon kiezen of ik de man tegenover me de moeite daarvoor waard vond. En eerlijk is eerlijk – dat waren ze zeker niet allemaal. Er was een man die gewoon niets zei. Letterlijk, niets. Een andere man was verveeld en ongeïnteresseerd en werkelijk, daar was hij echt niet interessant genoeg voor. Als straf heb ik hem tot in detail uit de doeken gedaan hoe een haakpatroon ontstaat, getest wordt en verkocht wordt en hoe de website Etsy werkt en negeerde ik bewust zijn verveelde blikken op zijn horloge. En er was iemand die een ingestudeerd riedeltje afstak over zichzelf, zijn studie en zijn werkervaring tot nu toe en had ik hem niet onderbroken met ‘geïnteresseerde’ vragen, had hij waarschijnlijk de volle vijf minuten volgepraat over zichzelf. Knappe jongen die mij stil krijgt, maar hem lukte het.

En toch was er ook een enkeling bij wie het nodig was, goed voelde, om eerlijk en open te zijn. Een leuke, sociale vent bij wie ik niet per se wilde opscheppen over dat ik heus mijn bachelor heb gehaald, maar bij wie ik gewoon wat meer over mijzelf wilde vertellen en wilde peilen hoe de reactie dan zou zijn. Want dat was deze avond bovenal natuurlijk; een experiment.

Ik geloof niet dat ik gister de prins op het witte paard heb ontmoet en ik slaap daar geen minuut minder om. Mijn zusje en ik hebben gelachen tot we pijn hadden in de buik en we hebben leuke gesprekken gevoerd met andere meiden. En daarbij heb ik een grote stap genomen; ik heb een aantal keer achter elkaar moeten vertellen wat mijn achtergrond is. Kort en bondig en zonder al te veel toeters en bellen. En dat helpt. Dat helpt om het voor mijzelf ook overzichtelijk te maken, om het nu echt eens te institutionaliseren. Het is een deel van mij, het komt bij het totaalpakketje. En de volgende Ware Jacob zal daar mee om weten te gaan op een manier die ik acceptabel vind. Dat was waarschijnlijk niet iemand die ik gisteravond heb ontmoet en zelfs als mijn zusje straks wel een match heeft met die ene man die we allebei aangekruist hebben en ik niet, vind ik het oké. Want die speeddate heeft hoe dan ook resultaat opgeleverd:

Ik kan met (bijna) iedereen leuke gesprekken voeren, ik ben interessant (voor de meesten dan). Ik ben levendig en (bij tijd en wijle) grappig en natuurlijk ben ik niet ieders pakkie an. Ik ben aanwezig en betweterig en humeurig. Maar ik kan mijn eigen broek ophouden, ik kan met mijn beperkingen omgaan zodat ik en mijn omgeving er het minste last van hebben, ik heb een fijn huis, een fijne vriendenkring en familie. Ik heb het goed voor elkaar. Ik ben geen zielenpoot die aan komt kloppen in de hoop dat íemand me nog op wil nemen. Ik heb ook wat te brengen. Het ging gisteravond ineens niet meer per se over hun reacties, het ging over mijn eigen reactie op mijzelf. En dus is dat waar ik me de komende tijd even op ga richten: speeddaten met mezelf. Want stiekem ben ik leuk.

772118954bd71e6c5727a020def04f07

En wat doe jij?

“En wat doe jij?” is een heel normale vraag. Er komt vaak ook een normaal antwoord op. “Ik werk in de IT”, bijvoorbeeld, ‘Ik sta voor de klas’, of iets als het onbegrijpelijk maar wel logisch klinkend ‘Ik ben functional regional account manager van de bromtollenfabriek‘, ofzo. Het zijn banen, het zijn dagbestedingen, het zegt iets over wat de ander interessant of belangrijk vindt in het leven.

Toen ik nog geen vrijgezel was, leek Tinder me hilarisch. Ik genoot ervan om mee te kijken met mijn zusje en vond het belachelijk hoe zij binnen een halve seconde al iemand wegveegde vanwege het verkeerde kapsel of een selfie in een auto. Ik wilde graag alle foto’s zien en alles van die mannen achter de foto’s weten. Mateloos interessant, vond ik het. Voornamelijk omdat het allemaal een spelletje was en niets met mij van doen had. Ik bezag die datingapps met de arrogantie van iemand die gebakken zat. Oh my sweet summer child.

Nu zit ik zelf op zo’n app en hoe oppervlakkig, sarcastisch, grappig of geïnteresseerd ik het gesprek ook naar andere onderwerpen probeer te sturen, uiteindelijk komt die vraag: “En wat doe jij eigenlijk?” En wat moet ik dan antwoorden? Wie zit er te wachten op het echte antwoord? Ik doe namelijk niks.

Nee, natuurlijk doe ik niet echt niks. En natuurlijk is er een reden waarom ik niet iedere dag braaf naar kantoor ga. Maar hoeveel geef je weg, wat vertel je aan zo’n onbekende man? Want het is nogal wat, het hele verhaal. Ik ben afgekeurd, ik zit thuis. Ik ben veel moe, heb vaak hoofdpijn, kan slecht overzicht bewaren, heb moeite met de simpelste administratieve taken. En natuurlijk klets ik een lekker woordje, maar verbaal – performaal zit er een behoorlijke kloof.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is: op welk punt kies ik ervoor om het slachtoffer van dit moment af te schrikken? Want zo voelt het. Ik voer een leuk gesprek, het gaat over van alles en niets in het bijzonder, misschien komt er zelfs een date uit. En dan kom ik daar met mijn levensverhaal aan en denkt hij; ‘laat ook maar’. En eerlijk gezegd weet ik niet of ik het die mannen kwalijk kan nemen. Ik weet namelijk dat we als dertigers allemaal onze eigen berg bagage achter ons aanslepen. Iedereen heeft zijn eigen verhaal, ervaringen en vormende momenten meegemaakt. En het is kiezen met welk train wreck jij jezelf wel kunt verzoenen. Welke hoeveelheid shit jij van de ander kunt accepteren. Maar ik heb niet gewoon een paar koffers, ik heb goederentreinen vol aan bagage. En als Tinder vol staat met keuze, welke idioot kiest er dan in godsnaam voor mij?

Ik was gewend aan wat ik had en hoe ik ermee om moest gaan, maar ik merk dat het enorm confronterend is om het nu steeds opnieuw te moeten vertellen. Steeds opnieuw uit te moeten leggen wat ik allemaal niet meer kan, wat ik opgegeven heb. Hoe kan ik van iemand verwachten dat hij oké is met mijn shit als ik dat zelf nog lang niet ben? En hoe kan ik ooit zelf hélemaal oké worden met mijn beperkingen wanneer ze me nog regelmatig zo ontzettend in de weg zitten? Wanneer ik nog altijd “IK BEN GESCHIEDENISLERARES!!” wil gillen als iemand mij die verschrikkelijke vraag stelt.

En dus swipe ik maar wat heen en weer op die apps en onderzoek ik op hoeveel manieren ik kan vertellen of verzwijgen wat er aan de hand is. Want ik vind het een kutvraag. “En wat doe jij?” Ik wil het dolgraag van de ander weten, maar hem beantwoorden kan ik nog niet.

“En wat doe jij?”
Nou, ik ben eigenlijk aan het leren om mezelf te accepteren. Iedere dag opnieuw. En jij bent advocaat? Dat klinkt ook heel interessant.

f1019bcb6cd25d674a5c99f6e1e5f111

In m’n skinny jeans

Mijn zus en zwager zochten een nieuw huis. Ze wilden geen klushuis, dus kochten ze een zes jaar oude nieuwbouwwoning, sloopten alles eruit wat los en vast zat en bleven uiteindelijk over met een klushuis. Dit heeft verder nog helemaal niets met mij te maken, maar blijf er even bij.

Ik hou van klussen. Al mijn zussen en ik blijven in de weer met muurtjes verven, houtwerk afkrabben, behangetjes plakken of badkamermuurtjes tegelen. Dit hebben we met de paplepel ingegoten gekregen, denk ik. Ik ben er nog steeds gek op. Het kost me alleen zoveel meer moeite dan vroeger dat ik het bijna nooit meer doe. Maar de nieuwe badkamer was geïnstalleerd in mijn zus’ huis, de muren waren gestuct en het enige dat nog ‘even’ moest gebeuren was het afstotelijke oranje houtwerk dat door het hele huis te zien was, donkergrijs verven. En dat kon ik wel, vond ik zo. Grondverfje aanbrengen, eitje.

En zo trok ik dus op een mooie zaterdagmorgen de doos met kluskleding uit de kast. Ik denk dat alle vrouwelijke lezers zich wel voor kunnen stellen hoe fijn het was dat een broek die ik zeven jaar geleden (op mijn 24e en het hoogtepunt van mijn fitnesswaanzin) gekocht had, nog altijd paste. Maar het allerfijnste voor mij, was dat ik hem een middag lang aan heb gehouden zonder brandende benen. Een hele middag in een spijkerbroek!

Ja, ik voelde hem de hele dag zitten en nee, aan het einde van de dag was dit niet meer per se fijn. Ik zal denk ik nooit meer een spijkerbroek aantrekken om thuis in te chillen. Maar het ging dus wel! Een gewone spijkerbroek! Met kontzakken achterop en een rits voorop en niet die eeuwige legging of jegging die ik normaal altijd draag en waar ik na een jaar of zes inmiddels wel op uitgekeken ben.

Vorige week toog ik naar de winkel en haalde ik een nieuwe skinny jeans. Van hele zachte denim, met lekker veel zachte stretch. Tot nu toe wil ik niets anders meer aan als ik ergens heen ga. Het voelt zo lekker… gekleed. Ik weet heus wel dat het voor de rest van de wereld ‘gewoon’ een spijkerbroek is en er niemand is die denkt; ‘Goh, wat loopt die vrouw er goed bij in die spijkerbroek!’, maar ik denk het zélf, ik voel het zelf. En het voelt alsof ik zweef.

Ik verfde één raam bij mijn zus, begon aan een tweede en merkte een kwartier later dat ik al vijftien minuten naar de vogels buiten in de tuin stond te kijken met een druipende kwast in mijn hand. De focus reikt blijkbaar nog altijd niet verder dan het in de grondverf zetten van één raam. Maar die dag heeft iets anders opgeleverd. Namelijk dat ik nog altijd in mijn oude broeken pas. Oh nee, ik bedoel; ik vier weer feestjes in m’n skinny jeans!

1cc618362829a4535a06182f2d7f9893

Onbekend terrein

De laatste tijd (zo’n twee jaar ongeveer, laten we het niet overdrijven) merkte ik dat ik steeds minder te bloggen had. Want dat gekke hoofd van mij wende wel zo langzamerhand. Ik was alle situaties inmiddels wel zo’n beetje tegengekomen en wist wat ik van het leven en mijn reactie daarop kon verwachten. Zoals ik al eerder schreef: er was een nieuwe normaal. En dus dacht ik dat ik misschien klaar was met bloggen, met mijn gedachten op het scherm zetten en jullie laten delen in wat er speelde.

Boy, was I wrong

Want ja, ik weet hoe ik reageer tijdens een verhuizing, een vakantie, een lange autorit of wanneer er een stroomstoring is op Schiphol en alle vertrekhallen op slot gaan, ik verdrink in een zee van vakantiegangers en koffers en ik al volledig doorgedraaid en overprikkeld ben voordat ik goed en wel een voet in het vliegtuig heb gezet. Ik ken mezelf in die situaties, ik weet wat ik aankan en wat ik niet aankan maar toch doe omdat ik weet hoe zwaar de terugslag gaat zijn. Het is inmiddels allemaal bekend terrein. Ik hoef daar niet meer over te schrijven.

Maar het leven zou het leven niet zijn als het je niet blijft verbazen. In positieve of negatieve zin. En het voelt alsof ik vooral dat laatste de laatste tijd op mijn bordje krijg.  Ik weet van mezelf hoe ik omga met tegenslag die mij aangaat. Toen ik hoorde dat ik moest stoppen met werken, bijvoorbeeld, of iedere zeikbrief van de letselschadezaak die in mijn inbox verschijnt. Maar hoe ik omga met verdriet en teleurstellingen die buiten mijzelf liggen – ziektes in de familie, ellende om me heen, verbroken relaties, noem het maar op – dat weet ik nog niet. En helaas is dat iets wat ik de komende tijd waarschijnlijk moet gaan onderzoeken.

En dat brengt mij op een ietwat vreemd punt; al bijna vijf jaar schrijf ik hier eerlijk over wat ik meemaak en voel. Ik heb mijn hart regelmatig open en bloot op tafel gelegd en angsten en verdriet met de hele wijde wereld gedeeld. Maar nu weet ik niet hoe persoonlijk ik wil worden, hoeveel ik wil vertellen. Het is allemaal prima wanneer twijfels en onzekerheid of ellende en verdriet mijzelf aangaan, maar wanneer het de mensen die ik liefheb betreft, komt het ineens heel dichtbij.

Ik zit thuis en dat helpt niet. Er is geen werk waar ik naartoe kan vluchten om afleiding in te zoeken. Zonder afleiding is de confrontatie soms maar moeilijk te ontvluchten. Daarbij komt dat mijn gekke hoofd kan blijven hangen op gedachten of ideeën en ik me daar maar met moeite van kan losweken. En dus is daar ineens mijn blog weer. Een uitweg uit mijn eigen malende hoofd. Een manier om orde aan te brengen in de chaos, van me af te schrijven wat ik voel. De vraag is nu alleen nog of ik dat wel wil. Omdat ik op dit blog waar mijn hele gevoel bloot ligt als zenuwuiteinden tijdens een wortelkanaalbehandeling, het wel héél persoonlijk vind worden allemaal.

a6af6d582deda09e47f35d0726b20067