Het nieuwe normaal

Wat ik aan het begin van mijn revalidatie nooit had kunnen bevroeden, is dat je daadwerkelijk gewend kunt raken aan een nieuwe situatie, hoe rot of raar die ook is in het begin. Er is een nieuwe normaal gekomen. Mensen die ik tegenwoordig ontmoet, hebben soms niet eens door dat er iets met mij aan de hand is. En dat is goed.

Het betekent namelijk dat ik controle heb over mijn leven. Het betekent dat ik de balans tussen rust en inspanning zo goed heb gevonden, dat wanneer ik de deur uitloop en ik deelneem aan het grotemensenleven, ik dat volop kan doen. Maar het betekent ook dat ik soms weer onbegrip tegenkom waarvan ik het bestaan al vergeten was (‘hè, waarom niet? Gisteren deed je toch ook dit en dit?’, ‘Het gaat toch hartstikke goed tegenwoordig? Misschien kun je wel weer aan het werk!’) en zelfs, tot mijn schaamte, dat ik mijn grenzen zelf soms vergeet.

Ooit schreef ik in een blog hoe paradoxaal de regeltjes van het revalidatiecentrum werkten. Rust, ruimte, regelmaat. Wanneer ik me daaraan houd, voel ik me gezien de situatie bijzonder goed. Ik heb een structuur voor mijzelf opgebouwd. Ik weet hoeveel bepaalde activiteiten me kosten en hoeveel rust ik ervoor in moet bouwen. Wanneer ik iets nieuws onderneem, houd ik rekening met de ergste terugslag. Dan kan het alleen maar meevallen. Zo goed als het kan heb ik mijn leven gemakkelijker voor mijzelf gemaakt. De boodschappen worden geleverd door de Albert of de Picnic, de schoonmaakster komt mijn huis poetsen. Er hangen lijstjes door het huis welke was ik wanneer moet doen, met wie ik waar heb afgesproken, wat we op welke dag eten. Lars is eraan gewend mij zijn afspraken te vertellen, zodat ik ook daardoor niet verrast kan worden. De nieuwe structuur is nu al zo ingesleten, dat het voelt alsof het altijd zo geweest is.

Er is een nieuwe normaal, waarin ik voluit deel weet te nemen aan de activiteiten die ik uitkies en waarin ik thuis mijn pijnlijke broeken uittrek, de gordijnen sluit en in het schemerdonker tot rust kom. Een nieuwe normaal waarin vrienden mij op mijn goede momenten zien en ik mijn slechte momenten thuis beleef. Hierdoor is het niet gek dat mensen om mij heen niet altijd meer doorhebben hoeveel energie bepaalde dingen mij kosten. Maar het is wel een beetje vreemd dat ik dat zelf niet altijd meer door heb. Blijkbaar is het futloos in mijn joggingpak op de bank hangen ook het nieuwe normaal geworden.

De laatste paar weken ben ik doodop. Ik krijg mijzelf mijn bed niet uitgesleept ’s ochtends, vergeet woorden, mijn oren piepen en suizen weer als nooit tevoren. Ik laat alles uit mijn handen kletteren, val om en sloeg laatst een glazen karaf uit totale onhandigheid kapot op de gootsteen. Ondanks de lijstjes vergeet ik de was te doen, ik vergeet de standaard boodschappen te bestellen en ik vergeet belangrijke mails te beantwoorden. “Doe dan ook eens rustig!” roept Lars dan en ik weet dat hij gelijk heeft. Maar tegelijkertijd heb ik zoveel onrust in mijn lijf dat ik niet meer tot rust kan komen. En dan vind ik mijzelf weer halverwege de middag kotsend van vermoeidheid omdat ik met mijn domme hoofd bedacht had dat ik best een IKEA-kastje in elkaar kon zetten.

Het is fijn dat iedere situatie uiteindelijk went (alles went behalve… Haha, ja ja, erg grappig), maar het is soms ook lastig. Téveel gewenning is blijkbaar ook niet ideaal. Even met mijn neus op de feiten geduwd worden en gedwongen worden pas op de plaats te maken… Erg leuk is het niet, maar nuttig toch zeker wel.

9535470639a30ff794be317a7d15226b

Advertenties

Plotseling

De bel ging. Het was zondagmiddag, half zes en Lars en ik keken elkaar aan. Geen van ons verwachtte iets of iemand. “Jouw beurt!” zei Lars, die die ochtend om half tien de deur al open had gedaan voor zijn moeder.

Ik stommelde de trap af en opende de deur voor twee jongetjes van een jaar of 9. Ik had ze wel vaker bij ons in de straat gezien. Ze woonden ergens verderop. Ze vertelden blij dat ze een ‘heitje voor een karweitje’ kwamen doen. Of ik nog een karweitje voor ze had.

Op zulke momenten sla ik dicht. Mijn hoofd maakt kortsluiting en ik kan (dat gelukkig wel) alleen nog maar vriendelijk lachen. Terwijl ik de buurjongetjes dus vriendelijk aan bleef kijken, ontspoorden mijn gedachten: ‘Twee jongetjes. Heitje voor een karweitje. Ehm… Karweitje. Tja. Weet ik veel. Twee jongetjes. Buurjongetjes. Waar zouden ze wonen? Ik heb geen tuin, dus kunnen ze geen bladeren harken. En het is zomer. Er zijn geen bladeren om te harken. En ik heb niet eens een hark! Karweitjes… HUH?!’ En het enige dat ik wist te vragen was: “Maar moeten jullie nog niet eten?”

Ik ben er gewend aan geraakt om de irritante verkopers van de Nuon en goede doelen af te wimpelen. Als ze niet met een collectebus langskomen (waar ik uiteraard braaf een paar munten ingooi, ik ben een goed mens), krijgen ze niets bij me gedaan. Ook niet als ze heel irritant met hun tablet in mijn gezicht porren dat ik alleen maar even een handtekening hoef te zetten. Ik beslis niet aan de deur. Dat is te abrupt, te plotseling. Ik kan dan geen goede beslissingen maken. Sinds ik bij de opticien twee ‘compleet verschillende brillen’ had besteld en twee weken later twee bijna identieke brillen ophaalde, twijfel ik toch al over mijn beslissingsvaardigheden.

Maar deze twee jongetjes wilden een extra zakcentje verdienen, dat is prijzenswaardig. En ik vind kleine kinderen leuk, ook al maken ze vaak veel herrie. Dus wilde ik een karweitje verzinnen. Maar mijn hoofd liep vast.

“We kunnen bijvoorbeeld ook de auto wassen!” riep één van de jongetjes vrolijk en het was alsof iemand aan de noodrem trok van de sneltrein aan gedachten in mijn hoofd. De auto wassen! Dat was pas een goed idee. Dus regelde ik emmers en sponzen voor ze en stuurde ze naar onze roestbak toe.

Vanuit het raam in de woonkamer keken Lars en ik hoe ze lief bezig waren. Ze deden het heel precies en Lars zakte alweer op de bank onderuit. Ik moest gaan koken, maar kon de rust niet meer vinden. Hoewel de trein tot stilstand was gekomen, was er nog teveel opwaaiend stof en onrust in mijn hoofd om mijn gedachten te ordenen. Ik sneed in mijn vinger, gooide de paprika’s naast de pan en liet de stekker van de staafmixer in de soep vallen. Later lukte het me niet om de slag te pakken te krijgen met haken en stak ik mijn haaknaald keihard onder mijn nagel. Ik voelde me kriegelig en geprikkeld en had het gevoel dat ik ieder moment kon ontploffen.

De auto was schoon, de jongetjes blij met het geld dat ze verdiend hadden en Lars was ook al lang blij dat hij niet door de wasstraat hoefde. Maar ik heb de hele avond op mieren gezeten. Ik kan dat slecht, zo plotseling. Kijk maar naar die twee bruine brillen met schildpadmotief.

bd47ab2349992b42ca7bc68cd760a5de

Adulting

Ik heb altijd behoorlijk veel haast gehad met volwassen worden. Ik wilde alles meemaken en wel binnen een aantal jaar. Zo kon het gebeuren dat ik op mijn 23e op kamers had gewoond, had samengewoond, was afgestudeerd, een vervelende breuk achter de rug had, een vaste baan had, een eigen huisje en een auto. En toen ik dat allemaal bereikt had vóór mijn 25e, ging ineens, onbewust, de rem erop. Want toegegeven, het huisje was sociale woningbouw en de auto een Corsa uit 1845, maar het was wel erg volwassen allemaal en als ik op dat tempo doorging zat ik op mijn 35e middenin een midlife crisis.

Ik wilde jong zijn, vrij zijn, genieten! Lekker stappen met vrienden, zoenen met vriendjes en zoveel mogelijk schoenen kopen als mijn salaris (net niet) toeliet. Ik wilde niet teveel denken aan later. Ik was nog jong en later was nog ver. Toen ik Lars ontmoette wist ik wel dat hij het was, voor altijd, maar ook dat ging redelijk bij de dag. Het klikte en het klopte en we hadden heel veel plezier samen. Meer hoefde niet.

Vaak heb ik het gevoel dat ik in die levensfase ben blijven hangen sinds het ongeluk. Alsof de auto mij daar in dat moment heeft gevangen de seconde dat hij mij raakte. In mijn hoofd ben ik nog altijd 25 en voelt wat ik doe regelmatig nog steeds als de onhandige acties van een post-puber die het ook nog allemaal niet heeft uitgevonden. Vrienden maken promotie, kopen grotemensenkleding, kopen huizen, trouwen, krijgen kinderen en ik vind het idee dat ‘ze’ me de verantwoordelijkheid over een hypotheek hebben gegeven al wonderbaarlijk. Laat staan dat ik een outfit in mijn kast heb hangen die ik op kantoor zou kunnen dragen. Toen Lars en ik tekenden voor ons samenlevingscontract dacht ik: ‘Wow, dat ze mij de autonomie geven om dit te doen! Dit is massive! Weten ze dan niet dat ik geen idee heb wat ik doe?’ Laat staan dat ik ooit de verantwoordelijkheid krijg over een zwangerschap of baby. Daar ben ik toch nog lang niet groot genoeg voor?

Natuurlijk is er wel wat veranderd. Ik voel me minder misplaatst. Het voelt niet langer alsof ik watertrappel en maar doe alsof ik weet wat er moet gebeuren. Ik voel me niet langer bekeken en beoordeeld op straat en heb niet meer de behoefte door iedereen aardig gevonden te worden. In mijn relatie met mijn ouders en schoonouders merk ik ook dat ik steeds vaker gelijkwaardige gesprekken voer, in plaats van dat ik in de kind-positie (sorry, cursus gesprekstechnieken heeft me gedeformeerd) blijf hangen. Ik ben meer tot rust gekomen in mijn eigen lijf en hoofd. Misschien dat ik gewoon de conclusie moet trekken dat dát volwassenheid is.

Ik ben (echt heel erg) bijna dertig en ik voel mij niet zoals ik had verwacht dat ik mij zou voelen. Als begin twintiger zei ik altijd dat het me ideaal zou lijken om ‘voor mijn dertigste mijn eerste’ te hebben. Nu vind ik het echt al enorm volwassen van mezelf dat ik het voor elkaar krijg boodschappen te doen voor een week en altijd iets bij de koffie in huis te hebben dat ik niet in één avond naar binnen snaai. Zorgen voor een hamster lijkt me op dit punt zelfs een te grote verantwoordelijkheid.

Maar misschien is dat wel gewoon hoe het is. We doen allemaal maar alsof we groot zijn en zijn als de dood ontmaskerd te worden. Misschien heb ik wat minder ‘haast’ dan mijn leeftijdsgenoten. Misschien is dat logisch na alles wat er met mij gebeurd is. Maar bovenal moet de conclusie misschien wel zijn dat ‘volwassen zijn’ ook maar schone schijn is. Fake it ‘til you make it. Ik ben bijna dertig en ik voel me twaalf. Maar waarschijnlijk ben ik daarin niet de enige.

241531aeac8373bc84251bc81b400084

Plafond

Ik zou liegen als ik mijzelf ambitieus zou noemen. Ik had dat nooit zo. Niet in de zin van: flitsende carrière, waanzinnig inkomen, mooie auto, dure designerkat of -hond en iedere maand frisse, nieuwe nepnagels. (Dát kost een hoop geld trouwens! Ongelooflijk. Waar doen vrouwen dat van?!) Als ik dat had gewild, had ik na het VWO iets anders moeten kiezen dan de lerarenopleiding. Ik wilde gewoon graag de hele dag aan het woord zijn en van blije bruggers bijdehante opmerkingen krijgen over mijn schoenen. Dat tot mijn zeventigste. Daar had ik voor getekend.

Toen ik mijn baan niet meer uit kon voeren, moest ik eerst door een rouwproces. Ik was geen docent meer. Het voelde alsof ik beroofd werd van een deel van mijn identiteit. Ik miste de kinderen, ik miste mijn collega’s. Maar ik miste ook de regelmaat, het doel in mijn dag, de structuur in mijn jaar. Toen ik door het UWV volledig werd afgekeurd, was dat pijnlijk: het voelde alsof ik afgeserveerd werd. Tegelijkertijd was het ook een opluchting. Ik was toen nog zo druk bezig met mijzelf opnieuw leren kennen, er was simpelweg geen ruimte in mijn hoofd om naar de toekomst te kijken.

Twee jaar geleden kwam ik terecht bij de huiswerkbegeleiding. Dat bleek een enorme eyeopener. Heel langzaam wist ik daar op te bouwen en vorig jaar januari kreeg ik voor het eerst weer een contract. Dat was geweldig! Waar ik nog niet zo lang geleden had gedacht dat ik mijn dagen op de bank achter de geraniums zou moeten slijten, had ik ineens weer werk! Ik had een doel, een structuur, een uitdaging. Wat een feest!

Niet zo lang geleden dronk ik een kopje koffie met mijn directrice. Ik gun iedereen met een ‘arbeidshandicap’ een directrice zoals zij. Ze denkt altijd ontzettend fijn mee en ik heb altijd alle ruimte gekregen om mijn eigen pad te bewandelen. Eén keer in de zoveel tijd praten we even bij, kijken hoe we ervoor staan. En daar zaten we dus weer en ik vertelde dat het goed ging. Dat ik het nog altijd naar mijn zin heb. Dat de kinderen leuk zijn. En dat ik misschien wat meer uitdaging zou willen.

Ik schrok zelf van die laatste opmerking. Méér uitdaging?! Maar ik ben nog steeds uitgeput als ik thuiskom van drie uur werk! Ik moet nog steeds al mijn activiteiten om mijn werk heen plannen! Ik zie mezelf nog altijd niet uitbreiden naar méér dan die zeven uur per week! Waar had ik het in vredesnaam over?

Maar ik realiseerde me ineens dat huiswerkbegeleiding geven ontzettend leuk werk was, maar niet zo heel spannend voor iemand met een tweedegraad en ervaring voor de klas. Dat mijn directe collega’s allemaal ontzettend leuk zijn, maar wel allemaal nog student. Dat de volgende functie die mij binnen het bedrijf ontzettend leuk lijkt vestigingsmanager is en dat dit een fulltime functie is. Dat ik het aller-, aller-, allerliefste weer ‘gewoon’ terug zou gaan voor de klas, maar dat er geen enkele school is die mij voor vier uurtjes aan gaat nemen als ik ook alle taken en vergaderingen skip (‘nee jongens, ik doe geen teamvergaderingen en surveilleer niet tijdens de SE-week. Succes, hè!’).

Mijn directrice is geweldig. Mijn werk is geweldig. Ik weet dat ik het daar ontzettend mee getroffen heb. Maar er is geen andere werkgever die het goed vindt als ik na een uurtje werk een half uurtje pauze ga houden. Er is geen enkele andere werkgever die overal maar uitzonderingen voor wil bedenken voor mij. Er is geen andere functie die ik zó goed aan kan passen aan mijn eigen behoeften.

Er was me daar tijdens dat kopje koffie, in een onbewaakt ogenblik ineens iets bekropen: Ambitie. En eerlijk gezegd beviel me dat voor geen meter. Ik heb een leuke baan en ik ben allang blij dat ik geen geestdodend lopendebandwerk hoef te doen. Maar het idee dat ik nog geen dertig ben en al keihard tegen mijn eigen glazen plafond aan geplakt zit, maakt me soms best verdrietig.

De afgelopen jaren heeft het leven me vaak weten te verrassen. Steeds als ik dacht dat ik mijn grenzen nu wel zo’n beetje bereikt had, bleek er voorbij die grens nog een wereld aan mogelijkheden te liggen. Die hoop wil ik ook vasthouden. Maar die onbekende wereld vol verrassingen, zie ik nu even niet. En hoewel ik ieder blog graag zo hilarisch mogelijk wil eindigen, mogen dipjes er soms ook even zijn. Dus mocht je in je broek hebben willen piesen van het lachen (of gewoon even grinniken, dat kan natuurlijk ook), kom dan snel weer terug. Vanavond zitten ik en mijn plafond helaas even vast.

32be8cf9f008ea094121e62274365ac6

Ik voel het aan mijn wangen…

Ik ben op mijn gezicht terechtgekomen. Dat is alvast een dikke tip voor iedereen die in de toekomst van plan is een auto te koppen: vang jezelf op met je handen. Je gezicht is er niet voor gemaakt.

Ik brak niet alleen wat tanden, maar ook mijn gehemelte en jukbeen. In het jukbeen zat een scheurtje en de eerste dagen na het ongeluk zat er een enorme bult bovenop. Die bult trok langzaam weg. Hij zakte steeds een beetje verder af, tot ik een hamsterwangetje aan mijn kin had hangen waar Knabbel en Babbel jaloers op zouden zijn. Ook de kleur, die veranderde van rood naar paars en blauw en uiteindelijk geel met groen, zakte van mijn wangen naar mijn kaken om uiteindelijk compleet te verdwijnen. Vervolgens zat er nog lang een harde verdikking op mijn jukbeen die slecht te zien was, maar die ik wel kon voelen. ‘Littekenweefsel’ hoorde ik zeggen en dat vond ik aannemelijk. Soms moet je het ook niet moeilijker maken dan het is.

Het duurde even, maar ook die verdikking verdween. Er is nu niets meer te voelen of zien (hoewel ik mijn gezicht bijzonder asymmetrisch vind, maar misschien was dat altijd al wel zo), van die bobbel op mijn jukbeen. En toch voel ik hem nog steeds.

Wanneer ik stress heb of moe ben, wanneer ik mezelf te druk maak of overprikkeld raak, voel ik de plek op mijn jukbeen kloppen en zeuren. Alsof de zenuwen niet goed geheeld zijn en precies weten wanneer ze mogen komen feesten. Toen we in onderhandeling waren over ons huis, toen ik een afspraak had met een psychiater voor een medische expertise, toen ik kapot was na iets te enthousiaste feestdagen. Toen ik weer voor het eerst een uurtje voor de klas gestaan had, ik moe was maar toch even ging eten bij mijn beste vriendinnetje of toen ik na haar bruiloft stond te tollen in de supermarkt. In al die situaties voelde ik mijn jukbeen pijn doen alsof iemand me net een rake rechtse onder mijn oog had gegeven.

Die plek op mijn jukbeen is mijn wichelroede. Ik doe heus mijn best, maar in mijn enthousiasme vergeet ik nog wel eens dat ik op mijn grenzen moet letten. Hoofdpijn is zo normaal geworden dat ik zelfs dat soms besluit te negeren. En verder ben ik doorgaans ook totaal niet eigenwijs. Dus wanneer mijn jukbeen opspeelt, weet ik dat ik écht op mijn tellen moet gaan passen. Die pijn fluit me terug en zet me even op het strafbankje.

Dit weekend was weer allemaal iets te leuk en iets te druk. Gisterochtend riep ik nog enthousiast dat ik me bijzonder goed voelde gezien het etentje de vorige avond. Gisteravond zat ik met een kloppende wang en een tollend hoofd rechtop in bed omdat ik vreselijke nachtmerries had door de drukte in mijn hoofd. En ook nu is het nog alsof er een bonte specht een gat in mijn wang probeert te hameren.

Dus heb ik net de boodschappen bij de Albert besteld en doe ik vandaag verder even helemaal niets. Ik voel namelijk aan mijn water – ik bedoel: wangen – dat ik even op de rem moet. Dus dat doen we dan ook maar.

1bdccc2c35cc7469b2318ad610234851