Topsport

e3f0a043d8bd066e4fd38cba25597bc7

Ik preek ‘lief zijn voor jezelf’ alsof het een religie is. Maar net als een Amerikaanse evangelische televisiepredikant die armoede en eenvoud predikt maar rondreist in zijn persoonlijke privéjet, volg ik mijn eigen wijze woorden het slechtste van iedereen. Ik weet bijvoorbeeld heel goed dat ik na anderhalf uur gezelligheid eigenlijk naar huis moet en toch blijf ik hangen. Ik weet ook dat ik na meer dan één wijntje mijn grenzen niet meer voel en toch neem ik een tweede. Ik weet dat ik mijzelf niet (meer) langs dezelfde meetlat kan leggen als anderen en toch blijf ik het doen. Sterker nog: ik wil nog altijd beter zijn dan de rest.

Waar ik als kind nooit veel interesse toonde in sport (tijdens de korfbalwedstrijd keek ik naar de vliegtuigen in de lucht in plaats van naar de bal), ontwikkelde ik in de laatste jaren vóór het ongeluk een kleine obsessie. De sportschool was mijn home base en ik gooide blij gewichten in het rond tussen de gespierde mannen voor de grote spiegels. Ik speelde volleybal voor de lol en rende rondjes om mijn hoofd leeg te maken. Na het ongeluk viel dit allemaal weg en ik moest volledig stoppen met sporten tijdens mijn revalidatie. Ik hield namelijk teveel spanning vast en ik moest van de therapeuten eerst maar eens leren ontspannen.

Dat ging best een tijdje goed. Volledig zen en gelukkig in het Grote Nu, was ik alleen maar dankbaar toen ik weer een beetje kon gaan sporten. Een beetje yoga, een rondje rennen… Het was allemaal een cadeautje en ik genoot er met volle teugen van. Toen ik met vallen en opstaan begon met beachvolleybal, kon ik mijn geluk al helemaal niet op. Toegegeven; ik moest de dagen dat ik trainde vooral niets doen, tijdens de trainingen regelmatig een pauze inlassen en bepaalde oefeningen die teveel van mijn evenwicht of concentratie vroegen, moest ik helemaal overslaan, maar mán… Ik volleybalde weer! Ik deed weer mee!

Waar dat precies omgeslagen is, weet ik niet. Maar alleen meedoen is niet langer genoeg. Laatst ging het tijdens een training op het strand niet zo lekker en moest ik eerder stoppen. “Je bent er tenminste!” zei de trainer. “Je bent helemaal naar het strand gefietst en hebt een stukje meegedaan en dat is al veel meer dan op de bank blijven zitten!” “Pfffft…” zei ik en ik maakte een ongeduldig wegwerpgebaar. Op komen dagen is niet langer genoeg. Ik wil beter worden, excelleren, gespierd en slank en een combinatie zijn tussen Madelein Meppelink en Candace Moore. Ik wil kortom niet alleen maar lekker sporten, ik wil de beste zijn. Of dan toch op zijn minst beter dan de rest.

Ik moet maar weer eens luisteren naar mijn eigen preken. Lief zijn voor mezelf. En dat betekent niet het verwrongen Instagramideaal van een afgetraind lijf en groene smoothies de hele dag. Lief zijn voor mezelf betekent voor mij dat ik luister naar wat er kan, rust neem wanneer dat nodig is en blij ben met alles dat wel lukt. En dat is nog best veel. Afgelopen weekend speelde ik bijvoorbeeld zelfs een beachvolleybaltoernooitje. Niet alle wedstrijden en halverwege de middagpoule ging ik naar bed, maar HALLO, dit had ik twee jaar geleden toch niet durven dromen? Een weekendje weg met vriendinnen en ook nog spelen… Het is misschien geen eredivisie volleybal of Instagramwaardige yoga, maar voor mij is het eigenlijk gewoon topsport.

e55dfc3f1e2c3c3119c858e8b01c288e

Advertenties

Lijstjesmeisje 2.0

“Ik heb weer echt een slechte week. Ik heb de hele tijd zo’n hoofdpijn.” Ik was op het krukje gaan zitten in de kleedkamer en keek toe hoe Lars zijn t-shirts minutieus opnieuw opvouwde en in de kast opborg. Misschien was het deze totaal ongewone uiting van huisvlijt die mijn kop op hol deed slaan. Maar Lars had een andere verklaring:
“Dat heb je altijd als we bijna op vakantie gaan.” concludeerde hij en ik dacht; ‘oh ja’.

Het is tegenwoordig niet meer dat ik me heel erg zorgen maak over het hoe en wat van een vakantie. Ik ben inmiddels gewend aan reizen met mijn gekke hoofd en aangezien we over een paar dagen terugkeren naar hetzelfde stukje Spaans strand, hetzelfde hotel en dezelfde mensen als we de afgelopen twee jaar in mei hebben gedaan, verwacht ik niet dat we voor veel onverwachte omstandigheden zullen komen te staan. Ik weet zo’n beetje wat me te wachten staat, ik weet ongeveer hoeveel impact dat gaat hebben.

En toch ben ik onrustig en extra vermoeid. Lars roept al de hele week dat ik afspraken af moet zeggen en rust moet houden en ik snauw al de hele week terug dat er niets aan de hand is en dat ik me wel red. Maar de waarheid is dus dat ik hoofdpijn heb en al een aantal dagen als een kip zonder kop door het huis ren.

Ik denk dat het te maken heeft met overzicht houden. Structuur aanbrengen. Dat is al nooit mijn kracht geweest. Lars heeft deze week vakantie en ik had allemaal nuttige taakjes bedacht om uit te voeren wanneer hij toch vrij was. Er is niets van gekomen. Tegelijkertijd heb ik allemaal losse flodders in mijn hoofd. Onafgemaakte lijstjes van dingen die ik nog op moet zoeken, nog in moet pakken, nog moet regelen voordat we gaan. Per dag denk ik gemiddeld zeven keer: ‘Oh shit, belastingaangifte!’ en ga vervolgens iets anders doen. Ik draai al de hele week ‘de laatste voor de vakantie’-wasjes en trek dan weer iets aan dat ik eigenlijk mee had willen nemen. Ik ben de hele tijd maar chaotisch en ren mezelf voorbij.

Ik weet dat mijn ergotherapeut uit het revalidatiecentrum waarschijnlijk teleurgesteld zijn hoofd zou schudden als hij mij nu zou zien. Ik moest alles van hem opschrijven. Tastbare lijstjes maken. Wanneer het op papier was gezet, nam het in ieder geval geen ruimte meer in in mijn hoofd. Vrat het geen extra energie meer. En ik weet ook wel dat hij gelijk had. In alles, zo’n beetje. Het rare is alleen dat ik het steeds vaker weer vergeet.

Dus dat is het eerste dat ik nu ga doen. Lijstjes maken. Back to being a lijstjesmeisje. Structuur, overzicht, helderheid. En misschien eindig ik dan net zo geordend als het keurige stapeltje t-shirts in Lars’ kast.

42955ad573346abb5b0e8caf1d4ade08

Ledigheid

In het revalidatiecentrum probeerden ze mij te leren dat ik niets meer gehaast moest doen. Omdat de linkjes in mijn hersenen omgelegd zijn, niet meer automatisch gaan zoals vroeger of her en der wat problemen tegenkomen op de weg, kost het mij meer energie dan anderen om alert en snel ergens op te reageren. Om de dag een beetje goed door te komen en energie over te houden voor belangrijke zaken, moet ik dus tijd en ruimte inboeken voor alle dingen die ik doe. Rust, rust, rust, is het devies.

Voor iemand zoals ik is dat niet altijd gemakkelijk. Ik doe het liefste 35 dingen tegelijk en omring me bij voorkeur met zo’n 458 mensen. Ik hou van aandacht, gezelligheid, drukte, vaart en ik kan niet zo goed tegen treuzelen en besluiteloosheid. Dat ligt voor een groot deel natuurlijk ook in mijn opvoeding. Ledigheid is des duivels oorkussen. Uitslapen was zonde van de tijd, in de vakanties zochten mijn zussen en ik vanaf ons dertiende bijbaantjes omdat we anders maar zouden ‘rondhangen’ en ik kan me niet herinneren dat ik mijn moeder ooit eens rustig op de bank heb zien zitten. Zelfs als ze het journaal keek, was ze nog de was aan het opvouwen. Toegegeven, ze had vier jonge kinderen dus er was altijd was. Maar rust, rust, rust was niet iets dat echt bij mijn opvoeding hoorde.

Ik heb er dan ook lang moeite mee gehad. Niet met de rust zelf pakken, wel met het aan mezelf toestaan. Het rustig aan mógen doen van mezelf, op mijn gat mogen blijven liggen als de hele wereld al in actie was, ik had er maar moeite mee. Het aannemen van een schoonmaakster was ook zo’n ding, boodschappen bestellen omdat ik ‘te moe’ was. Ik wist wel dat het nodig was, maar het voelde altijd als een nogal slap excuus.

Voor het nieuwe jaar had ik geen goede voornemens gemaakt. Ik geloof daar niet zo in. Kilo’s kwijt, gezonder eten, dit jaar toch écht een taal leren / kleding leren naaien / de afwas doen direct na het eten… Het is leuk en aardig, maar je stelt jezelf alleen maar teleur. Tegelijkertijd geloof ik niet dat een mens ooit uitgeleerd is. Ik ook niet. Zeker niet wat betreft mijn rare hoofd en alles wat daarbij komt kijken. Dus ga ik er toch maar eentje formuleren voor mijzelf:

Dit jaar ga ik proberen om mijzelf echt eens rust te gunnen. Want mijn rust pakken, kon ik al. Er oké mee zijn, dat is de volgende stap.

9cd62d40cff872311d8848cbcb4a198b

Het nieuwe normaal

Wat ik aan het begin van mijn revalidatie nooit had kunnen bevroeden, is dat je daadwerkelijk gewend kunt raken aan een nieuwe situatie, hoe rot of raar die ook is in het begin. Er is een nieuwe normaal gekomen. Mensen die ik tegenwoordig ontmoet, hebben soms niet eens door dat er iets met mij aan de hand is. En dat is goed.

Het betekent namelijk dat ik controle heb over mijn leven. Het betekent dat ik de balans tussen rust en inspanning zo goed heb gevonden, dat wanneer ik de deur uitloop en ik deelneem aan het grotemensenleven, ik dat volop kan doen. Maar het betekent ook dat ik soms weer onbegrip tegenkom waarvan ik het bestaan al vergeten was (‘hè, waarom niet? Gisteren deed je toch ook dit en dit?’, ‘Het gaat toch hartstikke goed tegenwoordig? Misschien kun je wel weer aan het werk!’) en zelfs, tot mijn schaamte, dat ik mijn grenzen zelf soms vergeet.

Ooit schreef ik in een blog hoe paradoxaal de regeltjes van het revalidatiecentrum werkten. Rust, ruimte, regelmaat. Wanneer ik me daaraan houd, voel ik me gezien de situatie bijzonder goed. Ik heb een structuur voor mijzelf opgebouwd. Ik weet hoeveel bepaalde activiteiten me kosten en hoeveel rust ik ervoor in moet bouwen. Wanneer ik iets nieuws onderneem, houd ik rekening met de ergste terugslag. Dan kan het alleen maar meevallen. Zo goed als het kan heb ik mijn leven gemakkelijker voor mijzelf gemaakt. De boodschappen worden geleverd door de Albert of de Picnic, de schoonmaakster komt mijn huis poetsen. Er hangen lijstjes door het huis welke was ik wanneer moet doen, met wie ik waar heb afgesproken, wat we op welke dag eten. Lars is eraan gewend mij zijn afspraken te vertellen, zodat ik ook daardoor niet verrast kan worden. De nieuwe structuur is nu al zo ingesleten, dat het voelt alsof het altijd zo geweest is.

Er is een nieuwe normaal, waarin ik voluit deel weet te nemen aan de activiteiten die ik uitkies en waarin ik thuis mijn pijnlijke broeken uittrek, de gordijnen sluit en in het schemerdonker tot rust kom. Een nieuwe normaal waarin vrienden mij op mijn goede momenten zien en ik mijn slechte momenten thuis beleef. Hierdoor is het niet gek dat mensen om mij heen niet altijd meer doorhebben hoeveel energie bepaalde dingen mij kosten. Maar het is wel een beetje vreemd dat ik dat zelf niet altijd meer door heb. Blijkbaar is het futloos in mijn joggingpak op de bank hangen ook het nieuwe normaal geworden.

De laatste paar weken ben ik doodop. Ik krijg mijzelf mijn bed niet uitgesleept ’s ochtends, vergeet woorden, mijn oren piepen en suizen weer als nooit tevoren. Ik laat alles uit mijn handen kletteren, val om en sloeg laatst een glazen karaf uit totale onhandigheid kapot op de gootsteen. Ondanks de lijstjes vergeet ik de was te doen, ik vergeet de standaard boodschappen te bestellen en ik vergeet belangrijke mails te beantwoorden. “Doe dan ook eens rustig!” roept Lars dan en ik weet dat hij gelijk heeft. Maar tegelijkertijd heb ik zoveel onrust in mijn lijf dat ik niet meer tot rust kan komen. En dan vind ik mijzelf weer halverwege de middag kotsend van vermoeidheid omdat ik met mijn domme hoofd bedacht had dat ik best een IKEA-kastje in elkaar kon zetten.

Het is fijn dat iedere situatie uiteindelijk went (alles went behalve… Haha, ja ja, erg grappig), maar het is soms ook lastig. Téveel gewenning is blijkbaar ook niet ideaal. Even met mijn neus op de feiten geduwd worden en gedwongen worden pas op de plaats te maken… Erg leuk is het niet, maar nuttig toch zeker wel.

9535470639a30ff794be317a7d15226b

Plotseling

De bel ging. Het was zondagmiddag, half zes en Lars en ik keken elkaar aan. Geen van ons verwachtte iets of iemand. “Jouw beurt!” zei Lars, die die ochtend om half tien de deur al open had gedaan voor zijn moeder.

Ik stommelde de trap af en opende de deur voor twee jongetjes van een jaar of 9. Ik had ze wel vaker bij ons in de straat gezien. Ze woonden ergens verderop. Ze vertelden blij dat ze een ‘heitje voor een karweitje’ kwamen doen. Of ik nog een karweitje voor ze had.

Op zulke momenten sla ik dicht. Mijn hoofd maakt kortsluiting en ik kan (dat gelukkig wel) alleen nog maar vriendelijk lachen. Terwijl ik de buurjongetjes dus vriendelijk aan bleef kijken, ontspoorden mijn gedachten: ‘Twee jongetjes. Heitje voor een karweitje. Ehm… Karweitje. Tja. Weet ik veel. Twee jongetjes. Buurjongetjes. Waar zouden ze wonen? Ik heb geen tuin, dus kunnen ze geen bladeren harken. En het is zomer. Er zijn geen bladeren om te harken. En ik heb niet eens een hark! Karweitjes… HUH?!’ En het enige dat ik wist te vragen was: “Maar moeten jullie nog niet eten?”

Ik ben er gewend aan geraakt om de irritante verkopers van de Nuon en goede doelen af te wimpelen. Als ze niet met een collectebus langskomen (waar ik uiteraard braaf een paar munten ingooi, ik ben een goed mens), krijgen ze niets bij me gedaan. Ook niet als ze heel irritant met hun tablet in mijn gezicht porren dat ik alleen maar even een handtekening hoef te zetten. Ik beslis niet aan de deur. Dat is te abrupt, te plotseling. Ik kan dan geen goede beslissingen maken. Sinds ik bij de opticien twee ‘compleet verschillende brillen’ had besteld en twee weken later twee bijna identieke brillen ophaalde, twijfel ik toch al over mijn beslissingsvaardigheden.

Maar deze twee jongetjes wilden een extra zakcentje verdienen, dat is prijzenswaardig. En ik vind kleine kinderen leuk, ook al maken ze vaak veel herrie. Dus wilde ik een karweitje verzinnen. Maar mijn hoofd liep vast.

“We kunnen bijvoorbeeld ook de auto wassen!” riep één van de jongetjes vrolijk en het was alsof iemand aan de noodrem trok van de sneltrein aan gedachten in mijn hoofd. De auto wassen! Dat was pas een goed idee. Dus regelde ik emmers en sponzen voor ze en stuurde ze naar onze roestbak toe.

Vanuit het raam in de woonkamer keken Lars en ik hoe ze lief bezig waren. Ze deden het heel precies en Lars zakte alweer op de bank onderuit. Ik moest gaan koken, maar kon de rust niet meer vinden. Hoewel de trein tot stilstand was gekomen, was er nog teveel opwaaiend stof en onrust in mijn hoofd om mijn gedachten te ordenen. Ik sneed in mijn vinger, gooide de paprika’s naast de pan en liet de stekker van de staafmixer in de soep vallen. Later lukte het me niet om de slag te pakken te krijgen met haken en stak ik mijn haaknaald keihard onder mijn nagel. Ik voelde me kriegelig en geprikkeld en had het gevoel dat ik ieder moment kon ontploffen.

De auto was schoon, de jongetjes blij met het geld dat ze verdiend hadden en Lars was ook al lang blij dat hij niet door de wasstraat hoefde. Maar ik heb de hele avond op mieren gezeten. Ik kan dat slecht, zo plotseling. Kijk maar naar die twee bruine brillen met schildpadmotief.

bd47ab2349992b42ca7bc68cd760a5de