Behoorlijk mooi – 9 april 2016

Ik ben niet zo goed met data. Nooit geweest ook. Ik moet terugrekenen om te bedenken in welk jaar Lars en ik een relatie kregen en hoewel ik al duizend jaar bevriend ben met Reinier, vergeet ik ieder jaar zijn verjaardag. Het is ergens vlak voor de mijne, maar verder kom ik niet. Ik vind het ook helemaal niet erg om ieder jaar ouder te worden, ook al val ik binnenkort van het randje van de twintig af. Wat data betreft ben ik misschien gewoon niet zo sentimenteel.

Gisteren was het 9 april. Lange tijd was ik bang dat deze datum ieder jaar een zuur jubileum zou blijven van alles wat ik los heb moeten laten. Drie jaar geleden het ongeluk, twee jaar geleden eindelijk begonnen met revalideren, maar ook met het opgeven van mijn oude leventje, een jaar geleden met wat meer controle over mijn leven, maar nog geen enkele zekerheid voor de toekomst.

Ik was bang dat ik ieder jaar stil zou moeten staan bij wie ik was en wat nooit meer terugkomt. Een in memoriam voor de oude-Suus. Maar weet je wat het is? Ik wil niet blijven leven in een soort extra tijd, Suus: de verlenging. Dat ik al 90 minuten gespeeld heb vóór het ongeluk en mijn leven nu het laatste half uur is wat er niet toe doet, omdat we toch voor de penalty’s gaan. Dat vertik ik simpelweg. Ik heb te hard gewerkt om nu nog stil te blijven staan.

Ik heb een geweldige relatie. Ik heb fijne vrienden en een hechte familie waar ik altijd op terug kan vallen. Ik heb een fantastisch huis in een fijne wijk en slaak nog iedere dag een gelukzalige zucht als ik het glas-in-lood in de ensuitedeuren zie. Ik heb een baan – wat ik vorig jaar niet had durven dromen – waar ik enorm veel plezier en voldoening uithaal. Ik kan weer wat sporten, ik kan weer wat boeken lezen. En langzamerhand krijg ik weer wat meer vertrouwen in mijn eigen lichaam en hoofd. Ik weet zo’n beetje wat ik ervan kan verwachten. Ik heb de regie weer terug.

Gistermiddag zat ik op mijn balkonnetje. Met een lekkere kop koffie, een boek over de eerste Nederlandse kolonie in het huidige New York en mijn gezicht in de zon. In de boom in de tuin van de buren zat een merel zich ongelooflijk uit te sloven. Drie hoogblonde kindjes speelden een ingewikkelde versie van Vader en Moedertje in wat tuinen daarnaast. Er ging een schuifpui open en twee opgeschoten keffertjes blaften boos naar de magnolia voordat ze weer naar binnen renden. En ik zat daar maar dommig te glimlachen.

Gisteren was het drie jaar na het ongeluk. Ik stond even stil bij wie ik daarvoor was, bekeek mijn leventje nu en telde mijn zegeningen. Ook mét NAH is het leven namelijk behoorlijk mooi.

08378e8895152f17bcb1f7b575640dde

De pik

In mijn eerste jaar als afgestudeerd docente, zat er een leerlinge in één van mijn brugklassen waar het niet mee boterde. Ze had een grote mond, riep door de klas heen, lachte besmuikt om vrijwel ieder woord dat ik zei. Ze zat het liefst vooraan om mij de hele les brutaal aan te kijken, van een weerwoord te voorzien of ineens, uit het niets te vragen waarom mijn vriend mij gedumpt had (het was andersom, dat wil ik toch even gezegd hebben). Als ik mij even omdraaide gebeurde er iets in haar buurt. Er viel een etui, er verdwenen blaadjes, er werd gesmoesd en altijd zat ze daar, mij grijnzend aan te kijken. De gevleugelde uitspraak is altijd dat leraren geen lievelingen hebben, maar dat is natuurlijk lariekoek. Docenten zijn ook maar mensen. Ik had favorieten, maar ook leerlingen die in mijn allergie zaten. Zij was er zo één. En ik had haar nergens mee. Strafwerk, nablijven, een goed gesprek… Het deed haar niets. Toen ik haar betrapte met een spiekbriefje bij een toets, heb ik haar ouders verzocht naar de ouderavond te komen. Ik dacht dat zij misschien zouden schrikken als ik vertelde wat hun dochter uithaalde in mijn les. Niets was minder waar. Ouders stonden vierkant achter dochterlief. Het was geen spiekbriefje geweest, want het was knalroze (Ik: “Dan was het dus niet een heel handig spiekbriefje, maar het lag wel degelijk onder haar been.”) en hun kind deed niets verkeerd. Ik had gewoon de pik op haar.

Ze hadden natuurlijk best gelijk. Ik had ook een beetje de pik op haar. Ik was me er ook terdege bewust van. Ik sprak met mijzelf af dat ik niet op haar zou letten, dat ik niet zou reageren op alleen maar blikken, of gegniffel. Maar het ging niet. Ze trok mijn aandacht met alles wat zij deed en bij het minste had ik zin om haar een knal te verkopen. Dus stuurde ik haar de klas uit. Het sneue was dat het kind ook niets goeds meer kon doen in mijn ogen. Ik twijfelde altijd aan haar motieven. Ook dat verbeterde onze band niet echt, natuurlijk.

Degene die mijn blog vaker lezen, weten dat ik niet echt een soepele relatie met de wederpartij heb. De jongen die mij aangereden heeft is veroordeeld, zijn verzekering heeft aansprakelijkheid erkend. Maar daar houdt het wel zo’n beetje op. Al bijna drie jaar weet de verzekering namelijk alles wat ik zeg, doe of laat aan te grijpen om mijn verhaal in twijfel te trekken. Anything I say or do, can en will be used against me. Ik word er moedeloos van. Het voelt alsof de wederpartij de pik op mij heeft en ik niets meer goed kan doen.

Ik heb een letselschadeadvocate ingeschakeld en even leek er schot in de zaak te komen. Ik kreeg na een jaar zelfs weer een voorschot! Maar toen stokte het proces weer. Er wordt nog altijd getwijfeld aan causaliteit tussen ongeval en klachten.

Vorige week kreeg ik een mailtje van de wederpartij. Ik had ooit tegen mijn neuroloog gezegd dat het steeds wat beter met mij ging. Dat ik weer wat probeerde hard te lopen en dat ik een blog bijhield over mijn leven met NAH. De wederpartij heeft deze informatie van de neuroloog gekregen. In het mailtje stond dat zij vinden dat bloggen over mijn letsel zou leiden tot ‘victimisatie’. Door ermee bezig te blijven, zou ik mijzelf als slachtoffer blijven zien.

En ik weet ook wel dat het voor die verzekering zakelijk is. Voor hen is het een dossier met hiaten en feitelijkheden. Maar voor mij is het mijn leven. En het voelt alsof de wederpartij de pik op mij heeft. En dat pik ik niet erg, eerlijk gezegd.

bc0c7c76a71979af388ed54d4d5444af

9 april (2015 edition)

9ef9e667b0ec36949b5c91b285d2ebfe

Ik vier vandaag een bitter jubileum. Het is 9 april. Twee jaar geleden werd ik aangereden, een jaar geleden had ik mijn eerste afspraak in het revalidatiecentrum en vertelde de bedrijfsarts mij dat ik moest stoppen met lesgeven. Twee jaar geleden fietste ik van mijn volleybaltraining naar huis. Ik was 25 jaar oud, had sinds kort een relatie met Lars, was geschiedenisdocente en zat mij daar op de fiets af te vragen welke aanpak ik het beste kon kiezen voor mijn stagiair en of ik die donderdag een groepsles zou volgen in de sportschool, of gewoon zelf zou trainen. Een jaar geleden liep ik het revalidatiecentrum in, in de hoop dat zij mij beter zouden kunnen maken. Het liefst binnen een maand. Nu zit ik hier achter mijn laptop: 27 jaar, afgekeurd en sinds gisteren ook officieel geen docente meer.

De optelsom is weinig positief. In vergelijking met mijn leven van vóór het ongeluk, heb ik vooral afscheid moeten nemen van een heleboel dingen. Ik werk niet meer, sport niet meer, ga de stad en de kroeg niet meer in. Ik ga niet naar de film, het terras, ik mijd drukke plaatsen en rijd geen auto meer. Ik ga geen avondjes meer dansen en drink geen alcohol meer. Ik wilde nog gaan studeren, mijn eerste graad halen. Nu schrijf ik een blog als deze met steeds korte pauzes tussendoor.

Maar voordat je denkt dat het allemaal kommer en kwel is voor mij; het is best te dragen. Het scheelt dat het loslaten en afscheid nemen steeds met stapjes is gegaan. Dat ik vorig jaar al wist dat ik niet meer terug zou komen voor de klas en twee weken geleden de brief ontving dat mijn contract werd ontbonden. Inderdaad, het is steeds wéér incasseren, steeds opnieuw loslaten. Maar het gaat ook geleidelijk en dat maakt het draaglijk.

En ik heb de afgelopen twee jaar ook ontzettend veel geleerd. Over mijzelf, de maatschappij, de gezondheidszorg, de werking van de hersenen. Ik heb tijd gekregen om te genieten van dingen waar ik in mijn hectische leven vroeger niet aan toe zou zijn gekomen. Even een korte balans:

– Alle dingen die je doet, bepalen niet wie je bent. Er zit iets fundamenteels in je dat constant blijft. Ik ben wie ik in mijn kern ben. Ik ben niet alle duizenden dingen die ik vroeger wel deed en nu niet meer;
– Prioriteiten stellen is het grootste cadeau dat je jezelf kunt geven. Nee zeggen kan soms zó lekker zijn!;
– In iedere dag zit iets om dankbaar voor te zijn;
– Ik geloof niet in ‘vechten’ tegen een ziekte of voor het overkomen van beperkingen. Als het niet lukt, impliceert dit namelijk dat je niet hard genoeg gestreden hebt. Accepteren dat een bepaalde situatie is zoals die is en er het beste van maken, is vaak veel knapper;
– Ik geloof net zo min dat ieder mens de hoeveelheid ellende krijgt die hij of zij aankan. Ieder huisje draagt zijn kruisje. Het is niet dapper om daarmee te dealen, het is gewoon nodig.
– Als je je eigen grenzen niet aangeeft, bepalen anderen die voor je. En of dat nu iemand is die veel te veel van mij eist, of Lars die zich bazig over mij bekommert omdat ik niet naar mijn eigen lijf luister, het is hoe dan ook mega irritant;
– Familie en vrienden zijn het grootste goed;
– Lars is een held. Ik zeg het niet vaak genoeg. Maar dat hij is gebleven, dat hij mij overal in steunt en dat hij mij altijd aan het lachen kan maken, is op zijn minst een eervolle vermelding waard;
– Af en toe lekker een potje janken doet wonderen;
– Niet iedereen zal begrip hebben voor mijn situatie en dat is ook prima;
– Je hoeft niet te hebben wat een ander heeft en je hoeft niet te doen wat een ander doet. Hoe gelukkig word je van een mooi instagramaccount als de rest van je leven eigenlijk leeg en inhoudsloos is?;
– Ik heb eigenlijk een hekel aan van die vrouwen met hun inspirerende quotes;
– Ik heb ook een beetje een hekel aan mensen die bloggen en dat superbelangrijk vinden. Maar bloggen heeft mij ontzettend veel geholpen. Ik krijg meer inzicht in mijzelf, ik verschaf meer inzicht in mijn proces en beperkingen en ik kan bij ieder ding dat fout gaat denken: ‘Yes! Hier kan ik over bloggen!’, wat het minder zwaar maakt;
– In mijn hart ben ik een ANWB-vrouw. Je doet mij geen groter plezier dan door de duinen wandelen en kibbeling halen bij de visboer en een konijntje weg te zien schieten tussen het helmgras (Lars wil helaas geen matchende Human Nature outfits);
– Het leven is leuker als je het allemaal niet te serieus neemt (vooral jezelf niet);
– Groots dromen mag. En het uitspreken ook. Dus hier komt het: Ooit schrijf ik een boek.

655dad311d92e4f99163632d55005933

Zwaar leven ( ja, nee maar echt waar)

Lange tijd vond ik dat ik mezelf niet zielig mocht vinden. Daar schoot ik tenslotte niets mee op. Iedereen vond het al zo zielig voor me, niemand had er wat aan als ik mee ging doen aan de medelijdenparade. Tegelijkertijd vond ik mezelf ook niet stoer of dapper. Eigenlijk kwam het erop neer dat ik die grote emoties (hè getver, emoties!) zo goed mogelijk negeerde.

Maar weet je? Daar schiet je uiteindelijk niets mee op. Doordat ik van mezelf niet zielig of (nog zo’n walgelijk woord) kwetsbaar mocht zijn, ontkende ik mijn eigen frustratie en verdriet. En na alle therapie in het revalidatiecentrum heb ik op zijn minst geleerd dat je je emoties moet verwerken om door te kunnen.

Nou, hier gaan we dan: ik kreeg gister weer correspondentie van de tegenpartij binnen en ik voel me daardoor boos, teleurgesteld, verdrietig, moedeloos en uit het veld geslagen. Oh, en had ik boos al genoemd? Ze vinden de causaliteit tussen ongeval en klachten nog altijd niet bewezen, pakken me op het feit dat ik vorig jaar nog dapper opperde dat ik het huishouden zo goed en zo kwaad zelf zou proberen te doen (‘dus achten wij vergoeding voor huishoudelijke hulp overbodig’) en willen graag mijn gehele medische informatie van de drie jaar vóór het ongeluk inzien (want wie heeft er ook behoefte aan privacy?). En ik wéét dat ik een dossiernummer voor hen ben en dit voor zo’n verzekeringsmaatschappij nu eenmaal de procedure is, maar voor mij is het mijn leven.

Ik heb mijn werk, mijn sport, mijn sociale leven en toekomstbeeld los moeten laten en de praktijk is dat ik de strijd aan moet met een kolos van een verzekeringsmaatschappij die het te druk heeft met rendementen, bonussen en woekerpolissen om een menselijk gezicht te laten zien. Daarnaast is Lars zijn baan kwijt, ben ik afgekeurd en moeten we zuinig aan doen omdat ik door het vermeende ‘causaliteitsprobleem’ geen voorschotten meer ontvang. Met Oud&Nieuw zeiden Lars en ik tegen elkaar dat dit ons jaar zou worden, maar het is soms echt behoorlijk moeilijk om de moed er in te houden.

Maar oké, Delta Lloyd. Als we het hard gaan spelen kun je het krijgen. Ik word namelijk moe en gefrustreerd en verdrietig van jullie, maar op dit moment bovenal boos. Ik weet dat jullie me murw willen slaan, zodat ik me af laat kopen met een schijntje. Maar jullie kennen misschien mijn dossiernummer, maar mij nog niet. En ik ben boos. Kom maar door met die procedures, zou ik willen zeggen. Bring it on.

image

De tegenpartij

ea34c1e3042f110e8ed276691b369308

Ik ben aangereden op de fiets. Door een auto. Door een jongen van 19 die pas drie maanden zijn rijbewijs had. De eerste tijd had ik medelijden met hem, je zou toch iemand aanrijden als je nog zo onzeker en onbekwaam in een auto zit. Tot hij niets van zich liet horen en pas contact besloot op te nemen toen hij voor moest komen. Hij belde mij om verhaal te halen. Dan begrijp je niet helemaal hoe de wereld werkt.

Als fietser ben je in Nederland beschermt. De verzekering van de automobilist is aansprakelijk voor jouw letsel, of het ongeval nu jouw schuld als fietser is of niet (in mijn geval was het niet mijn schuld, maar over de betekenis van haaientanden en voorrangsborden verschilden de bestuurder en ik enigszins van mening). En ik heb een rechtsbijstandverzekering die mijn zaken uit handen kan nemen. Dat is fijn, want mijn kosten zijn gedekt. In theorie.

Vanaf het moment dat ik de verzekering van de bestuurder aansprakelijk stelde, is het touwtrekken. Het heeft een half jaar geduurd eer zij überhaupt principiële aansprakelijkheid erkenden, maar daarmee was ik er nog niet. In oktober 2013 stuurden zij een brief waarin zij stelden dat mijn ziekteverloop in hun ogen ‘ongeloofwaardig’ was. Toen mijn tandartsrekeningen al in de duizenden euro liepen, kwamen zij over de brug met één keer duizend euro voorschot. Een volgend voorschot bleef uit tot zij mij in den lijve gezien hadden en vast konden stellen dat ik de boel niet zat de frauderen. Ze willen geen huishoudelijke hulp betalen omdat ons nieuwe huis niet aanzienlijk groter is dan het oude (hiervan mis ik het verband ook. Volledig.). Ze beweren ondertussen een voorschot aan mij over te hebben gemaakt, maar mijn rekening toont 1000,- minder, waarmee zij niet akkoord gaan. Iedere keer dat ik gebeld wordt door mijn rechtsbijstandsmevrouw, of een brief ontvang die zij doorstuurt van de ‘wederpartij’, zoals zij het zo mooi noemt, raak ik direct in de stress. Want een brief van de wederpartij (tegenpartij. TEGEN. Partij) betekent dat ik in het verweer moet. Dat ik moet bewijzen dat ik wel degelijk beperkt ben, dat ik niet kan werken, dat ik nog altijd klachten heb, dat ik me niet aanstel.

Gisteren kreeg ik weer zo’n fijne brief binnen. Hun medisch adviseur vond dat de causaliteit tussen het ongeval en mijn klachten niet bewezen was. Oftewel: ik loop al acht maanden in het revalidatiecentrum omdat ik gewoon een beetje hoofdpijn heb waarvan het ongeluk niet perse de oorzaak hoeft te zijn. Ofzo. Ik merk dat ik daar ontzettend boos en opstandig van word. Wat denken ze nou helemaal? Dat ik zo’n goede actrice ben dat ik al die behandelaars kan foppen? Kom maar door met die Oscar, jongens! Ik verdien hem eerder dan Leonardo DiCaprio. Ook wilde de medisch adviseur graag stellen dat de boodschap die mij aan het begin van het behandeltraject werd meegegeven, ‘je gaat de regie over je leven terug in handen krijgen, maar zoals vóór het ongeluk wordt het niet’, zou leiden tot een self fulfilling prophecy. Wat hadden ze dan moeten zeggen, meneer de medisch adviseur? ‘Welkom in het revalidatiecentrum, we maken je beter! Oh, haha, grapje, we wisten een half jaar geleden al dat dát niet zou lukken, sorry voor de frustraties!’? Als ik zo’n brief lees, wil ik woedend gillen en stampen, die brief verscheuren, jankend onder mijn deken duiken en er niet meer vandaan komen, schoenen kopen, chocoladeijs eten, die medisch adviseur zoeken en hem eens goed de waarheid vertellen, het gebouw van die schijtverzekering in de hens zetten en toekijken, het opgeven, alles hier achterlaten en me vestigen op een klein eilandje en schapen hoeden, bewijzen dat ik wel degelijk beperkt ben, of juist meegaan in hun beweringen en een baan zoeken, een ‘normaal’ leven leiden en dat dat dan niet gaat. Maar bovenal wil ik dat ze een dagje in mijn hoofd zouden kunnen kijken. Dan piepen ze wel anders.

Ik begrijp dat zo’n verzekering alleen maar aan geld denkt. Ik begrijp dat zij alleen een dossiernummer zien en niet weten wie ik ben, hoe ik in het leven sta. Dat ‘de ene dag te weinig energie om van de bank te komen, de volgende dag boodschappen doen, beetje huishouden en vrienden op bezoek’ ingewikkeld te begrijpen is, dat die algehele fatigue niet te begrijpen is voor iemand die het niet voelt. En ik kan het niet opgeven. Ik zal waarschijnlijk altijd minder kunnen werken dan ik bedacht had, ik zal altijd inkomsten mislopen, over een paar jaar moet ik weer een hele tour de force afleggen met de rest van mijn voortanden… Ik ben afhankelijk van de tegenpartij en het enige dat ik kan doen is dit incasseren, even heel hard janken en vervolgens de juiste papieren maar weer opzoeken om te bewijzen dat ik de kosten die ik declareer niet verzin.

Wederpartij. Het mag wat. Tegen zijn ze. Tegenpartij.

043e99b069f68885563786bfbecc9aa9 (1)