De terloops turende twintiger

Gisteravond keek ik per ongeluk ‘De dolende dertiger‘ van Marlijn Weerdenburg. Per ongeluk, omdat ik twee weken geleden de aflevering over kinderen en de kinderwens had zitten kijken en ik me er door op liet fokken. Ik kan mezelf natuurlijk wel voorhouden dat ik helemaal niet tot de doelgroep behoor omdat ik nog geen dertig ben, maar voor ratio was geen plaats meer na het zien van een babywens-retreat op Ibiza. Door die uitzending voelde ik ineens al mijn eitjes mijn lijf uit rennen als bruggers uit een klaslokaal na de bel en ik voelde een onaangename hoeveelheid druk dat het ineens allemaal ‘nu nu NU‘ moest terwijl ik nu nog helemaal niet wil!

Maar voor ik het wist was ik er gisteren dus opnieuw ingetrapt. Deze aflevering ging over alles willen kunnen doen. Dertigers van nu schijnen niet te kunnen kiezen tussen vier verschillende carrières, een gezin, achthonderd allerbeste vrienden, vijf favoriete sporten, zeven hobby’s, allemaal verre reizen, de beste restaurants en duizend toekomstdromen en dat levert stress en burn-out (en gisteren hoorde ik zelfs voor het eerst de term ‘bore-out’) klachten op.

Zoals Marlijn in de intro zelf al zegt: ‘Het lijkt een luxe-probleem…’

Waar ik twee weken geleden de televisie uitzette met een beetje een ranzig en gestrest gevoel, voelde ik me na het kijken van de uitzending gisteren eerlijk gezegd behoorlijk zen. Want al die keuzestress, al dat moeten-moeten-moeten van jezelf en de maatschappij, alle ballen in de lucht willen houden en overal 100% op moeten scoren: mij wordt dat bespaard.

Ik heb moeten leren om keuzes te maken om de juiste redenen. Zoals iemand in de aflevering gister zei: ‘Nee zeggen tegen afspraken, is ja zeggen tegen jezelf’. Ik riep ‘DÛH!!’ naar de tv en at een chocoladekruidnoot. Ik heb moeten leren om te prioriteren en mild richting mezelf te zijn in de keuzes die ik maak. Dit had ik achteraf graag op de middelbare school al als vak gehad, maar ik ben desalniettemin blij dat ik het geleerd heb vóór ik de extra druk van een hypothetisch gezinsleven er bovenop krijg. Ik heb tijdens mijn re-integratie mogen uitzoeken waar mijn hart écht ligt, zodat ik mijn energie kan steken in iets waar ik echt gelukkig van word. Ik hoef niet meer alle balletjes in de lucht te houden en in alles wat ik doe de beste te zijn. Ik ga naar de huiswerkbegeleiding of mijn extra taallesjes en maak wat domme grappen met die guppen, ik geef ze aanwijzingen en structuur en ben de gelukkigste vrouw op aarde als het lichtje bij ze gaat branden. Ik ga naar een verjaardag als ik daar tijd en puf voor heb en ik voel me niet meer schuldig als ik iets af moet zeggen. Zo belangrijk ben ik ook niet. Ze redden het wel zonder mij.

De oplossing voor die keuzestress was volgens alle aan het woord gekomen deskundigen (deskundigen is een breed woord, ook Hadewych Minis mocht slimme dingen zeggen), om vooral dingen te doen waar je blij van werd. Hallo, open deur! Maar toch is het waar en toch verliezen we onszelf te gemakkelijk in dingen die zogenaamd ‘moeten’.

Dus gisteren zette ik, na een dag waarin ik een lesje had gegeven aan vijftien blije bruggers, met een gelukzalig gevoel de tv uit, spande een haakwerkje op en ging een lekkere chicklit lezen op mijn e-reader op bed. Ik ben veel kwijtgeraakt met het ongeluk, zoals een deel van mijn zelfstandigheid en zelfredzaamheid, maar blijkbaar heb ik in de periode erna toch ook een hoop gewonnen. Want ik was misschien een ‘terloops turende twintiger’, ik geloof oprecht dat ‘de dolende dertiger’ me bespaard zal blijven.

fddd25123f6c64ee3a9a2f88f3165d3e

Advertenties

La gente esta muy loca

Taal is zeg maar echt mijn ding. Van jongs af aan al. Ik was nooit bang om een andere taal te proberen en kletste op mijn zesde al de oren van de kop van onze Nieuw-Zeelandse vrienden. Een tijd lang kregen wij iedere zomer een paar weken een Duits meisje te logeren, met wie ik gerust ruzies maakte in het Duits. De Duitse vrienden van mijn opa en oma kregen moppen van mij te horen die ik voor de gelegenheid zelf maar even vertaald had.

Ik was geobsedeerd door accenten. Het liefst wisselde ik tussen plat Amsterdams, Rotterdams en bekakt. Hoewel ‘krek, de biefstukk’n groei’n ook nie oan de bom’n’ uiteindelijk behoorlijk vloeiend ging, vond ik Haags en Utrechts moeilijk (hoewel een goede vriend van me beweert dat mijn tongval ondertussen behoorlijk Haags is gaan klinken. Bedankt, Lars…). Naarmate mijn Engels beter werd, wilde ik ook die accenten eigen maken. Nadat ik Braveheart had gezien, heb ik nog weken lang Mel Gibson na proberen te doen. Tot grote ergernis van mijn zussen, uiteraard.

Talen lagen mij gewoon goed. Ik had een ‘talenknobbel’. En hoewel de kleur van mijn haar en het kohlpotlood om mijn ogen op de middelbare school even prioriteit kregen boven die knobbel, bleef de interesse toch bestaan. Toen ik in de vijfde klas uitgenodigd werd om deel te nemen aan een Pre-university Programm, koos ik Zuid-Afrikaanse talen en culturen. Zo kon ik op den duur gedag zeggen in het Zulu. Ik ben vervolgens nooit in Zuid-Afrika geweest, maar voor even was het leuk.

Tijdens een reis naar Peru en Cuba kwam ik voor het eerst in aanraking met Spaans. Waar ik bij onze eerste stop in Lima nog ‘heeft u een boek’ zei, waar ik ‘ik heb een reisgids’ bedoelde, lukte het me een paar weken later in Cuba om gesprekjes te voeren met onze gids en het hotelpersoneel. Een paar jaar later ben ik in mijn zomervakantie een aantal weken naar Spanje gegaan, om in Salamanca écht Spaans te leren. Die weken waren fantastisch. En hoewel ik vooral de Spaanse cultuur goed heb leren kennen (when I went to Spain, and I saw people partying…), kon ik toch een aardig mondje Spaans.

Afgelopen voorjaar, toen ik het idee kreeg dat ik steeds iets meer controle over mijn leven hervond, kwam het idee op weer iets met Spaans te gaan doen. Ik had aan mijzelf bewezen dat ik weer (wat) kon werken, ik had aan mijzelf bewezen dat ik ook weer (iets) aan sport kon doen. Ik kon weer (kleine stukjes) autorijden, boodschappen doen en genieten van een diner in een restaurant. Ik wilde kijken of ik, naast alles wat ik weer herwonnen had, ook de volgende stap zou kunnen zetten. Ik wilde kijken of mijn gekke hoofd ook weer kon leren.

Vol goede moed schreef ik me in voor een cursus Spaans. Een paar dagen vóór aanvang kreeg ik ineens koudwatervrees. Want wat deed ik mezelf aan? Misschien kon ik het niet bijhouden. Was ik de slechtste uit de groep. Mijn zusje, zo’n dyslect en beelddenker dat ze als kind bij het liedje van De Kast uitriep: ‘Maar met vuur kussen doet toch pijn?!’, stelde me gerust. Ze zei: ‘Suus, jij kunt dit. Misschien niet meer zo gemakkelijk als vroeger, maar hier ligt jouw kracht. En je zult het altijd sneller leren dan ik.’

En natuurlijk had ze gelijk. De eerste les was loeizwaar. Hoewel ik alles begreep, kon ik niet op woorden komen, vergat ik de juiste uitgangen voor bepaalde werkwoorden te gebruiken en zei ik ‘patron’ in plaats van ‘jefe’, wat de chef van het restaurant in mijn verhaal ineens tot El Chapo maakte. Maar de tweede les ging gisteren al duizendmaal beter. Ik kon zinnen maken, vertelde wat ik aankomend weekend ga doen, kon de uitleg vrij goed volgen en (en ik weet ook wel dat dit vreselijk is om te zeggen, maar) ik ben niet eens de slechtste van de groep!

Toegegeven, ik heb moeite me het laatste half uur van de les te concentreren. En het huiswerk moet ik echt verspreiden over de dagen van de week. Ik doe er voor mijn gevoel ook vrij lang over en nakijken vanaf mijn laptop levert standaard hoofdpijn op. Verder ken ik geen enkele Spanjaard of Latino om mee te oefenen en gaat Lars al gillen als ik ‘Qué tal?’ roep. Maar ik leer Spaans. Aprendo español. En dat alleen al is weer een mijlpaal op zich.

5eede32583839282863f3c89009bbc66

Ze worden ook wel dertig zonder jou

Nog voordat ik met dit blog begon, las ik het blog van lotgenootje Roosmarijn. Stellen dat zij een inspiratiebron vormde voor mijn eigen blog, is zeker niet overdreven. Ons verhaal kwam ook idioot veel overeen. Ook zij was docente, ook zij had een ongeluk gehad waardoor zij niet meer kon werken, ook zij worstelde met de gevolgen. In één van de eerste posts die ik van haar las, schreef zij dat zij, van alles in het onderwijs, haar collega’s het meeste miste. Het dagelijkse contact met je gelijkgestemden.

En ook dat herken ik. Want ik mis het contact met mijn mede-docenten ook nog iedere dag. Praten over klassen, het onderwijs, individuele leerlingen… Het was iets waar ik iedere pauze enorm van kon genieten. Met de collega’s met wie ik in 2010 gelijktijdig begon op school, bouwde ik fijne vriendschappen op. Mijn collega’s nu zijn fijne mensen, maar veel van hen zijn nog student en staan mijlenver van mijn belevingswereld. Bij hen vind ik niet wat ik bij mijn collega’s op school wel vond.

Toch zijn de collega’s niet wat ik het meeste mis aan het onderwijs. Wat ik het meeste mis, zijn namelijk de kinderen. Die stinkende, brutale, puberende, zwetende, schofterige pubers, ja.

In de zomervakantie kon ik vaak niet wachten tot de nieuwe klassenlijsten op internet werden gezet. Dan keek ik wie ik dat jaar weer les zou geven, welke lievelingen ik meenam het nieuwe jaar in, welk broertje of zusje ik in de klas zou krijgen. Ik vond het geweldig om de kinderen persoonlijk te leren kennen en ze langzamerhand steeds groter en volwassener te zien worden. En natuurlijk heb ik nu ook nog pubers en zie ik degene die ieder jaar terugkomen ook wel opgroeien, maar die dynamiek van de middelbare school is toch compleet anders.

Toen een collegaatje van school een tijd overwerkt was en wel het gevoel had te moeten presteren, zei haar leidinggevende: ‘Ze worden ook wel dertig zonder jou’. Op het moment dat ik uitviel en te horen kreeg dat ik hoogstwaarschijnlijk niet terug zou keren voor de klas, heb ik me die boodschap voor proberen te houden. Het voelde alsof ik ze in de steek liet, het voelde alsof ik mijn afspraken met ieder kind op zich niet nakwam. En hoewel zeker niet ieder kind mij zou gaan missen, vond ik het vreselijk dat ik het grootste deel van hen nooit meer zou zien. ‘Ze worden ook wel dertig zonder jou’, herhaalde ik als een mantra. Laat gaan, het komt goed, het is niet meer aan jou.

Afgelopen maandag gaf ik een gastcollege bij de opleiding ergotherapie op de Hogeschool Rotterdam. Samen met mijn oude re-integratiejuf vertelde ik hen over het belang van re-integratie en werk bij een revalidatietraject. En daar, in de zaal vol tweedejaars, zat een oud-leerlinge van me. Ik herkende haar direct en niet veel later viel ook haar naam mij weer in. Ze zat enthousiast te typen en stelde bijzonder goede vragen. En even stond ik weer voor A2b en A3b. De druktemakers. Waarin zij een fijne, positieve kracht was geweest.

Ik vond het geweldig leuk om dat gastcollege te geven, heerlijk om weer voor zo’n groep te staan en mijn praatje te houden. Maar het allerleukste van die middag vond ik toch wel dat ik haar even zag. Groot geworden en ogenschijnlijk volledig op haar plek.

Want ik weet heus wel dat ze ook wel dertig worden zonder mij. Dat ik op het totale plaatje van zo’n kind maar minimale invloed heb of heb gehad. Maar om een oud-leerlinge dan, opgebloeid en volwassen geworden, nog één keer te zien, op weg naar die dertig… Dat is toch wel een cadeautje!

95fe0a3802b78c4356bb72b739c6d6b0