JOMO

Omdat mijn persoonlijke Grinch geen boom in huis wilde, kocht ik een soort kerststruik, zette hem in een gouden pot, hing er wat ledlampjes in en versierde de spiegel op de schouw met een ander lichtsnoer. Het is december, de feestdagen staan voor de deur en het eerste wat ik er dit jaar bij dacht was; ‘het moet maar weer’.

Al eerder heb ik geschreven over hoe mijn rare hoofd steeds meer een deel van mijn leven is geworden. Zoals ik toen schreef: er is een nieuwe normaal. Ik ben de meeste situaties al een keer tegengekomen sinds het ongeluk, weet van mezelf hoe ik reageer op gebeurtenissen en weet regelmatig niet meer hoe het vroeger was, vóórdat alles zo drastisch veranderde. Het went. Godzijdank went alles.

En dus ga ik opnieuw de feestdagen in met mijn gekke hoofd. Maar dit jaar valt me iets op; ik kijk er niet zo tegenop als andere jaren. Lange tijd vond ik het echt lastig, namelijk. Al die drukte, die gezelligheid. De lampjes, de muziek, het vuurwerk, de herrie. De duizenden afspraken, sociale verplichtingen, kaartjes en berichtjes. Ik wilde alles meemaken, overal op reageren, de feestdagen navigeren tussen wat ik allemaal wilde doen en wat er uiteindelijk mogelijk was. Vaak sloeg ik door, vaak was de balans – zelfs na heel serieus plannen – toch volledig zoek.

Dit jaar voelt het anders. Ik hóef van mezelf namelijk niet overal aan mee te doen. Sterker nog – ik wil het niet eens. Waar ik andere jaren nog heel erg het gevoel had dat ik dingen mis zou lopen en bang was voor de FOMO, voel ik nu het tegenovergestelde: JOMO. The Joy of Missing Out. Dit jaar ga ik ervan genieten dat ik het circus zoveel mogelijk aan me voorbij laat gaan.

Het duidelijkste voorbeeld daarvan gaat Oud & Nieuw zijn. Ieder jaar kijk ik daar tegelijkertijd naar uit en tegen op. Ik wil een leuk feestje vieren met fijne mensen, maar zit op hetzelfde moment al vanaf ’s ochtends vroeg met mijn Noise cancelling headphones op mijn hoofd ongelukkig op de bank te doen alsof ik geen last heb van alle knallen buiten. Ik drink ’s avonds veel, om de prikkels maar te dempen en het feest vol te houden. En vervolgens heb ik een kater van een week en drie weken later nóg last van dat ene feestje. Oud & Nieuw zuigt me ieder jaar leeg als een leger bloedzuigers op een been.

Handenwrijvend heb ik dit jaar dus mijn nieuwe plan opgesteld. Ik ga de stad uit. In het huis van mijn ouders middenin de polder, ga ik de oudejaarsconference kijken en een Mount Everest aan oliebollen eten. Ik ga naar het vuurwerk van de stad in de verte kijken en om kwart over twaalf naar bed. Ik kan me nu al wentelen in die JOMO. Ik vind het niet ongezellig dat ik niet bij Lars of vrienden ben. Ik vind het niet zielig voor mezelf om me te onttrekken aan het gekkenhuis. Ik kies er heel bewust voor. Dit jaar ga ik voor rust en stilte. En dan hopelijk, als alles meezit, begint mijn nieuwe jaar voor de verandering een keer op 2 januari, in plaats van op 20.

ef279b5e9a4c10b0b6a0ac8764ff54a3

Advertenties

Innerlijke paniekfreak

“Als jij mij nou even af kunt zetten, dan rijd je tenminste ook nog eens!” Lars kan het vaak leuk brengen. Vooral als hij er zelf erg bij gebaat is. Maar hij had wel gelijk: ik rijd bijna nooit meer. Het enige ritje dat ik nog regelmatig maak, is naar de supermarkt op maandagochtend.

Vaak vind ik het te druk op de weg. In de spits moet ik te veel en te lang achter elkaar opletten. Na een half uur in de auto neemt mijn concentratie af. Dan krijg ik niet alleen heel veel hoofdpijn en voel ik me beroerd, het wordt ook nog eens een stuk minder veilig. Ik ben dan ook vaak afhankelijk van Lars, die daardoor veel vaker dan hem lief is moet Bob-en.

Het ritje naar de supermarkt is bekend. Ik ga altijd op maandagochtend half negen. Dan loopt er geen kip in de Lidl, is er nog parkeerplek zat en kan ik op mijn dooie akkertje mijn lijstje afwerken. Ik heb in de loop der tijd allerlei handigheidjes ontwikkeld om het boodschappen doen makkelijker te maken voor mijzelf: Lijstjes op volgorde van de supermarkt, alle gekoelde boodschappen in één tas zodat ik thuis alleen die tas echt uit hoef te pakken, een rustig moment kiezen, een bekende supermarkt. Niet altijd gaat dat goed. Soms is mijn weekend te druk geweest en besluit ik boodschappen te bestellen. En soms gebeurt er iets waar ik totaal geen controle over heb…

De laatste maanden waren ze bij ‘mijn’ winkelcentrum bezig om de riolering… (te vernieuwen? Vervangen? Verbeteren? Wat doe je met riolering?) – In ieder geval: de straat lag open. Steeds op een andere plaats. Iedere maandag dat ik aan kwam rijden in mijn gifgroene Opeltje, wist ik nooit of de parkeerplaats waar ik altijd parkeer te bereiken was of niet. En of ik dus om moest rijden, uit mijn hum een ander plekje moest zoeken, of het in paniek maar op moest geven en huilend naar huis moest rijden. Ieder mens heeft zo zijn innerlijke autist en de mijne is sinds het ongeluk nog ietsje luidruchtiger aanwezig. Ik raak van slag als ik niet op mijn manier mijn dingen kan doen. Ik heb zo mijn structuren en mijn ‘maar zo doe ik het altijd!’-en en ik kan moeilijk inspringen op een onverwachte, nieuwe situatie. Het liefste had ik dan natuurlijk ook die mannen in hun fluoriserende oranje jasjes overhoop gereden om maar bij mijn parkeerplaats te komen. Maar ja, dat schijnt dan weer niet te mogen.

Vanochtend, na een paar weken mijn heil gezocht te hebben bij de Albert en de Picnic, waagde ik het er maar weer eens op. Mijn afslag was open, mijn parkeerplaats bereikbaar en de hectiek die een afgesloten parkeerterrein oplevert zowel in mijn hoofd als onder overige automobilisten, hoorde tot een ver verleden. Mijn innerlijke paniekfreak haalde dolgelukkig (en enigszins opgelucht) adem. Ik weet niets van rioleringen, maar ik ga er toch vanuit dat ik de komende jaren weer veilig op mijn eigen kleine plekje kan parkeren. Rijd ik tenminste ook nog eens.

b45140fe617b2a35a35dd6110cb83ace

Het nieuwe normaal

Wat ik aan het begin van mijn revalidatie nooit had kunnen bevroeden, is dat je daadwerkelijk gewend kunt raken aan een nieuwe situatie, hoe rot of raar die ook is in het begin. Er is een nieuwe normaal gekomen. Mensen die ik tegenwoordig ontmoet, hebben soms niet eens door dat er iets met mij aan de hand is. En dat is goed.

Het betekent namelijk dat ik controle heb over mijn leven. Het betekent dat ik de balans tussen rust en inspanning zo goed heb gevonden, dat wanneer ik de deur uitloop en ik deelneem aan het grotemensenleven, ik dat volop kan doen. Maar het betekent ook dat ik soms weer onbegrip tegenkom waarvan ik het bestaan al vergeten was (‘hè, waarom niet? Gisteren deed je toch ook dit en dit?’, ‘Het gaat toch hartstikke goed tegenwoordig? Misschien kun je wel weer aan het werk!’) en zelfs, tot mijn schaamte, dat ik mijn grenzen zelf soms vergeet.

Ooit schreef ik in een blog hoe paradoxaal de regeltjes van het revalidatiecentrum werkten. Rust, ruimte, regelmaat. Wanneer ik me daaraan houd, voel ik me gezien de situatie bijzonder goed. Ik heb een structuur voor mijzelf opgebouwd. Ik weet hoeveel bepaalde activiteiten me kosten en hoeveel rust ik ervoor in moet bouwen. Wanneer ik iets nieuws onderneem, houd ik rekening met de ergste terugslag. Dan kan het alleen maar meevallen. Zo goed als het kan heb ik mijn leven gemakkelijker voor mijzelf gemaakt. De boodschappen worden geleverd door de Albert of de Picnic, de schoonmaakster komt mijn huis poetsen. Er hangen lijstjes door het huis welke was ik wanneer moet doen, met wie ik waar heb afgesproken, wat we op welke dag eten. Lars is eraan gewend mij zijn afspraken te vertellen, zodat ik ook daardoor niet verrast kan worden. De nieuwe structuur is nu al zo ingesleten, dat het voelt alsof het altijd zo geweest is.

Er is een nieuwe normaal, waarin ik voluit deel weet te nemen aan de activiteiten die ik uitkies en waarin ik thuis mijn pijnlijke broeken uittrek, de gordijnen sluit en in het schemerdonker tot rust kom. Een nieuwe normaal waarin vrienden mij op mijn goede momenten zien en ik mijn slechte momenten thuis beleef. Hierdoor is het niet gek dat mensen om mij heen niet altijd meer doorhebben hoeveel energie bepaalde dingen mij kosten. Maar het is wel een beetje vreemd dat ik dat zelf niet altijd meer door heb. Blijkbaar is het futloos in mijn joggingpak op de bank hangen ook het nieuwe normaal geworden.

De laatste paar weken ben ik doodop. Ik krijg mijzelf mijn bed niet uitgesleept ’s ochtends, vergeet woorden, mijn oren piepen en suizen weer als nooit tevoren. Ik laat alles uit mijn handen kletteren, val om en sloeg laatst een glazen karaf uit totale onhandigheid kapot op de gootsteen. Ondanks de lijstjes vergeet ik de was te doen, ik vergeet de standaard boodschappen te bestellen en ik vergeet belangrijke mails te beantwoorden. “Doe dan ook eens rustig!” roept Lars dan en ik weet dat hij gelijk heeft. Maar tegelijkertijd heb ik zoveel onrust in mijn lijf dat ik niet meer tot rust kan komen. En dan vind ik mijzelf weer halverwege de middag kotsend van vermoeidheid omdat ik met mijn domme hoofd bedacht had dat ik best een IKEA-kastje in elkaar kon zetten.

Het is fijn dat iedere situatie uiteindelijk went (alles went behalve… Haha, ja ja, erg grappig), maar het is soms ook lastig. Téveel gewenning is blijkbaar ook niet ideaal. Even met mijn neus op de feiten geduwd worden en gedwongen worden pas op de plaats te maken… Erg leuk is het niet, maar nuttig toch zeker wel.

9535470639a30ff794be317a7d15226b

Elektrisch

Het verbaast me soms nog steeds. Vier jaar na dato kan ik nog altijd dingen ontdekken die mij extra klachten bezorgen, waar ik last van heb of die ik gewoon handiger aan zou kunnen pakken. Steeds wanneer ik denk dat ik nu wel zo’n beetje alles geleerd heb dat er te leren valt, krijg ik een ingeving en sla ik mijzelf voor mijn kop. Dat ik daar nooit eerder aan gedacht heb!

Zo is er tandenpoetsen. Dat is niet zozeer een drama of een ramp, maar dat duurde altijd wel héél lang. Dan lag Lars al lang en breed in bed en liep ik nog rondjes door het huis met mijn tandenborstel in mijn mond, terwijl ik een half uur eerder dan hij naar bed was gegaan. En dan draag ik niet eens dikke lagen make-up die er iedere avond afgepoetst moeten worden.

Ik wist zelf ook nooit waar de tijd heen ging. Ik deed tandpasta op mijn tandenborstel, stak het ding in mijn mond en… Raakte afgeleid, meestal. Door mijn eigen spiegelbeeld, een viezigheidje in de wasbak, een sok naast de wasmand, een nagel met een haakje, een boek dat ik nog wilde pakken voor in de slaapkamer en de kussens op de bank in de woonkamer die ik dan zag en die mijn aandacht opeisten omdat ze opgeschud moesten worden. Dan vond ik weer een glas op de salontafel die ik naar de keuken bracht, waar de blender nog even geweekt moest worden of de rottende appel weggegooid. Ik drentelde en poetste tussendoor wat en raakte kwijt welke kant van mijn gebit ik al gehad had en poetste voor de zekerheid alles nog een keer en nog een keer terwijl ik ondertussen allemaal onbelangrijke dingen half deed. Ik snapte dan ook nooit hoe mensen binnen 2 minuten klaar konden zijn met poetsen.

De tandarts bleef maar aandringen op elektrisch poetsen en ik hield de boot af. Want dan had ik zo’n trillend, zoemend ding in mijn hoofd twee keer per dag. Alsof ik zelf al niet genoeg prikkels te verwerken had zonder al die extra spanning. Maar ineens was ik het zat, dat kip-zonder-koppen met een schuimende mond. En dus bestelde ik maar een elektrische tandenborstel. En het is een uitkomst!

Mijn tandenborstel zoemt iedere halve minuut. En dertig seconden kan ik me nog wel concentreren boven de wasbak, dus voordat ik goed en wel de shampooflesjes aan het ordenen ben, moet ik al wisselen van kant. Het voelt zelfs een beetje alsof ik er vaart achter moet zetten. Het zoemen en trillen valt mee, zeker omdat het maar 2 minuutjes is. Binnen die tijd heb ik schone tanden én niet hoeven reageren op alle andere dingen die mijn aandacht vragen als ik doelloos door het huis loop en die me alleen maar extra energie kosten. Een win-win situatie dus!

Alle kleine beetjes helpen en het voelt gewoon als een luxe dat ik om tien uur kan zeggen dat ik naar bed ga en dan om kwart over tien onder de dekens kruip. Wat een weldaad! Dus ik doe het voortaan elektrisch. Dan is de tandarts ook weer blij.

393960bead47244dfd366f8be758eb87

 

Plotseling

De bel ging. Het was zondagmiddag, half zes en Lars en ik keken elkaar aan. Geen van ons verwachtte iets of iemand. “Jouw beurt!” zei Lars, die die ochtend om half tien de deur al open had gedaan voor zijn moeder.

Ik stommelde de trap af en opende de deur voor twee jongetjes van een jaar of 9. Ik had ze wel vaker bij ons in de straat gezien. Ze woonden ergens verderop. Ze vertelden blij dat ze een ‘heitje voor een karweitje’ kwamen doen. Of ik nog een karweitje voor ze had.

Op zulke momenten sla ik dicht. Mijn hoofd maakt kortsluiting en ik kan (dat gelukkig wel) alleen nog maar vriendelijk lachen. Terwijl ik de buurjongetjes dus vriendelijk aan bleef kijken, ontspoorden mijn gedachten: ‘Twee jongetjes. Heitje voor een karweitje. Ehm… Karweitje. Tja. Weet ik veel. Twee jongetjes. Buurjongetjes. Waar zouden ze wonen? Ik heb geen tuin, dus kunnen ze geen bladeren harken. En het is zomer. Er zijn geen bladeren om te harken. En ik heb niet eens een hark! Karweitjes… HUH?!’ En het enige dat ik wist te vragen was: “Maar moeten jullie nog niet eten?”

Ik ben er gewend aan geraakt om de irritante verkopers van de Nuon en goede doelen af te wimpelen. Als ze niet met een collectebus langskomen (waar ik uiteraard braaf een paar munten ingooi, ik ben een goed mens), krijgen ze niets bij me gedaan. Ook niet als ze heel irritant met hun tablet in mijn gezicht porren dat ik alleen maar even een handtekening hoef te zetten. Ik beslis niet aan de deur. Dat is te abrupt, te plotseling. Ik kan dan geen goede beslissingen maken. Sinds ik bij de opticien twee ‘compleet verschillende brillen’ had besteld en twee weken later twee bijna identieke brillen ophaalde, twijfel ik toch al over mijn beslissingsvaardigheden.

Maar deze twee jongetjes wilden een extra zakcentje verdienen, dat is prijzenswaardig. En ik vind kleine kinderen leuk, ook al maken ze vaak veel herrie. Dus wilde ik een karweitje verzinnen. Maar mijn hoofd liep vast.

“We kunnen bijvoorbeeld ook de auto wassen!” riep één van de jongetjes vrolijk en het was alsof iemand aan de noodrem trok van de sneltrein aan gedachten in mijn hoofd. De auto wassen! Dat was pas een goed idee. Dus regelde ik emmers en sponzen voor ze en stuurde ze naar onze roestbak toe.

Vanuit het raam in de woonkamer keken Lars en ik hoe ze lief bezig waren. Ze deden het heel precies en Lars zakte alweer op de bank onderuit. Ik moest gaan koken, maar kon de rust niet meer vinden. Hoewel de trein tot stilstand was gekomen, was er nog teveel opwaaiend stof en onrust in mijn hoofd om mijn gedachten te ordenen. Ik sneed in mijn vinger, gooide de paprika’s naast de pan en liet de stekker van de staafmixer in de soep vallen. Later lukte het me niet om de slag te pakken te krijgen met haken en stak ik mijn haaknaald keihard onder mijn nagel. Ik voelde me kriegelig en geprikkeld en had het gevoel dat ik ieder moment kon ontploffen.

De auto was schoon, de jongetjes blij met het geld dat ze verdiend hadden en Lars was ook al lang blij dat hij niet door de wasstraat hoefde. Maar ik heb de hele avond op mieren gezeten. Ik kan dat slecht, zo plotseling. Kijk maar naar die twee bruine brillen met schildpadmotief.

bd47ab2349992b42ca7bc68cd760a5de