Tegoedbon

Vorig jaar kerst kreeg ik een tegoedbon van de Primark cadeau. Na de drukke feestdagen borg ik hem ‘zo lang even op’ op een ‘handige plek’ en raakte hem vervolgens kwijt en vergat het.

Ik kom eigenlijk nooit meer in de stad. Heel soms om een kopje koffie te doen of te lunchen, maar nooit meer om te shoppen. Zoals Geer zou zeggen: ‘Ik heb er simpelweg de kracht niet voor’. Kleding koop ik online of gris ik mee als ik toch even bij de Hema ben en sportkleding haal ik tegelijk met mijn boodschappen bij de Lidl. Ook huishoudelijke zaken, meubels en zelfs verf voor die ene grenen kast met geeluitgeslagen hout, bestel ik allemaal online. Ik heb ondertussen dan ook een hechte band met mijn PostNL pakketbezorger ontwikkeld. Hij zwaait zelfs altijd vriendelijk naar me als ik hem ergens anders tegenkom.

Maar Hollander als ik ben, ga ik een mooie tegoedbon niet aan mijn neus voorbij laten gaan. Dus toen ik hem laatst weer vond op die ‘handige’ plek, besloot ik dan toch maar eens naar de Primark te gaan. Anders was het zonde.

Het eerste wat mij opviel toen ik de stad infietste, was hoe druk het was op donderdagochtend. De oma van mijn moeder scheen bij iedere hardloper die overdag voorbijkwam te zeggen: ‘Allemaal werkelozen’, en zo voelde ik me gisteren ook een beetje. Waar komen al die mensen vandaan? Moeten die niet werken?! Eenmaal binnen in de winkel verging het horen en zien me. Alles was hoogglans wit of zwart. Kassa’s of paskamers werden aangegeven met kleine, flikkerende blauwe lampjes. Rekken hingen vol met allerlei verschillende kleurtjes en patroontjes. PVV’s Fleur Agema liep langs en ik wilde haar gedag zeggen omdat ik dacht haar te kennen. (Gelukkig wist ik me op tijd in te houden.) De muziek stond hard aan en de paskamers waren eveneens hoogglans zwart, met knalkleurige gordijnen en rennende kinderen. Bij de kassa riep een elektronische vrouwenstem luid bij welk nummer je kon afrekenen. Er rolden mandjes langs die vol gestapeld leken alsof dit de eerste kledingwinkel was die na decennia geopend werd.

Eenmaal buiten, bonkte mijn hart in mijn hoofd en tolde de wereld. Ik moest nog even naar de Decathlon, maar ook daar stond de muziek hard aan en werd ik overvallen door alle kleuren en indrukken. Vervolgens moest ik nog even snel de Rituals binnen. Er zwermden verkoopsters op me af alsof ik stroop was en zij vliegen. Of ik een speciale thee wilde proeven, of ik de nieuwe zomercollectie wilde proberen, of ik de zonnebrand wilde ruiken en of ik een proefmake-upje zag zitten. Ik had al make-up op en probeerde die laatste vraag maar niet als een belediging op te vatten. De lucht was zo gevuld met verschillende parfums dat hij vloeibaar leek. Toen de verkoopster mijn tasje inpakte, spoot ze daar ook nog een dot parfum overheen.

Op de fiets naar huis, ving ik bij iedere windvlaag de walm van mijn eigen tasje op. Ik was mentaal zo moe dat mijn benen het niet meer goed wilden doen en dat evenwicht houden, wat ik op mijn fiets normaal gesproken aardig kan, een uitdaging werd. Thuis kroop ik mijn bed in en kwam er twee uur later pas weer uit. Het krijsen in mijn hoofd was slechts een klein beetje afgenomen. En zelfs vanochtend doet nog steeds alles pijn en sterf ik een beetje.

Er zijn dagen dat ik denk dat het wel weer goed is, met mij. Dat ik alles wel weer aankan. Dat zijn de dagen dat ik me voorstel dat ik weer fulltime voor de klas sta en dan toegeeflijk bedenk ‘dat we dan gewoon iedere week de Albert bestellen’. Alsof dat het enige struikelblok is. Het is moeilijk niet af en toe te twijfelen aan mezelf. Wat als ik na al die tijd gewoon niet meer doorheb dat ik me aanstel?

Gisteren werd me weer pijnlijk duidelijk dat ik niet ‘alles wel weer aankan’ en dat ik me niet aanstel. En dat winkels een overprikkelende nachtmerrie zijn. Dat het goed is, zoals ik het doe. Ik heb mijn leven gemakkelijker gemaakt waar mogelijk, en blijkbaar heeft dat nog steeds nut. De stad ga ik voorlopig niet meer in. En de Primark al helemaal niet. Met al zijn glans en kleuren en toeters en bellen. En Fleur Agema.

a53657eef8ce89024cf99f677f7d8896

Ik voel het aan mijn wangen…

Ik ben op mijn gezicht terechtgekomen. Dat is alvast een dikke tip voor iedereen die in de toekomst van plan is een auto te koppen: vang jezelf op met je handen. Je gezicht is er niet voor gemaakt.

Ik brak niet alleen wat tanden, maar ook mijn gehemelte en jukbeen. In het jukbeen zat een scheurtje en de eerste dagen na het ongeluk zat er een enorme bult bovenop. Die bult trok langzaam weg. Hij zakte steeds een beetje verder af, tot ik een hamsterwangetje aan mijn kin had hangen waar Knabbel en Babbel jaloers op zouden zijn. Ook de kleur, die veranderde van rood naar paars en blauw en uiteindelijk geel met groen, zakte van mijn wangen naar mijn kaken om uiteindelijk compleet te verdwijnen. Vervolgens zat er nog lang een harde verdikking op mijn jukbeen die slecht te zien was, maar die ik wel kon voelen. ‘Littekenweefsel’ hoorde ik zeggen en dat vond ik aannemelijk. Soms moet je het ook niet moeilijker maken dan het is.

Het duurde even, maar ook die verdikking verdween. Er is nu niets meer te voelen of zien (hoewel ik mijn gezicht bijzonder asymmetrisch vind, maar misschien was dat altijd al wel zo), van die bobbel op mijn jukbeen. En toch voel ik hem nog steeds.

Wanneer ik stress heb of moe ben, wanneer ik mezelf te druk maak of overprikkeld raak, voel ik de plek op mijn jukbeen kloppen en zeuren. Alsof de zenuwen niet goed geheeld zijn en precies weten wanneer ze mogen komen feesten. Toen we in onderhandeling waren over ons huis, toen ik een afspraak had met een psychiater voor een medische expertise, toen ik kapot was na iets te enthousiaste feestdagen. Toen ik weer voor het eerst een uurtje voor de klas gestaan had, ik moe was maar toch even ging eten bij mijn beste vriendinnetje of toen ik na haar bruiloft stond te tollen in de supermarkt. In al die situaties voelde ik mijn jukbeen pijn doen alsof iemand me net een rake rechtse onder mijn oog had gegeven.

Die plek op mijn jukbeen is mijn wichelroede. Ik doe heus mijn best, maar in mijn enthousiasme vergeet ik nog wel eens dat ik op mijn grenzen moet letten. Hoofdpijn is zo normaal geworden dat ik zelfs dat soms besluit te negeren. En verder ben ik doorgaans ook totaal niet eigenwijs. Dus wanneer mijn jukbeen opspeelt, weet ik dat ik écht op mijn tellen moet gaan passen. Die pijn fluit me terug en zet me even op het strafbankje.

Dit weekend was weer allemaal iets te leuk en iets te druk. Gisterochtend riep ik nog enthousiast dat ik me bijzonder goed voelde gezien het etentje de vorige avond. Gisteravond zat ik met een kloppende wang en een tollend hoofd rechtop in bed omdat ik vreselijke nachtmerries had door de drukte in mijn hoofd. En ook nu is het nog alsof er een bonte specht een gat in mijn wang probeert te hameren.

Dus heb ik net de boodschappen bij de Albert besteld en doe ik vandaag verder even helemaal niets. Ik voel namelijk aan mijn water – ik bedoel: wangen – dat ik even op de rem moet. Dus dat doen we dan ook maar.

1bdccc2c35cc7469b2318ad610234851

Prikkeljacht

Toen ik voor het eerst van overprikkeling hoorde, ging er niet direct een wereld voor me open. Eerlijk gezegd was ik nogal sceptisch.  ‘Jaaaa ja, dus ik kan in drukke situaties slecht horen, omdat ik juist alles hoor? Nee, natuurlijk, ik heb het gevoel dat ik omval en me niet kan oriënteren, omdat ik juist alles in de omgeving meekrijg?’ Rond die tijd droeg ik al wel mijn zonnebril omdat ik voelde dat ik zere ogen kreeg van fel licht, maar verder klonk het me nogal Chinees in de oren.

Het gekke was dat mij nooit eerder op was gevallen dat ik zo ontzettend veel spanning in mijn lijf vasthield tot ik leerde ontspannen. Ik had iedere dag last van fluitende en suizende oren, maar pas toen ik oordoppen ging gebruiken merkte ik het verband op tussen herrie en gekmakend gepiep. Dat ik onbewust meer was gaan drinken (water en thee bedoel ik, hè), omdat slikken dempend werkt, dat ik onbewust bepaalde kledingstukken niet meer droeg, omdat ze pijn deden aan mijn lijf of het patroon aan mijn ogen, dat ik bepaalde oorbellen niet meer droeg die langs mijn oren bungelden, een nieuw favoriet hoekje op de bank had gekozen, waarbij ik minder van mijn drukke behang zag, een andere plaats aan de eettafel innam met mijn rug naar het raam… Ik deed het allemaal al, maar pas toen ik leerde over overprikkeling begreep ik dat ik al die tijd probeerde prikkels te vermijden.

Ik leerde dat overprikkeling was als de druppels die de emmer doen overlopen en dat prikkels tegenwoordig dikke joekels van druppels waren in plaats van de miezer van vroeger. En dat mijn emmertje ook nog tien maten gekrompen was. Het was dus belangrijk dat ik die prikkels leerde herkennen om ze vervolgens te kunnen doseren. Zoals iemand die steeds buikpijn heeft moet leren dat het van al die enorme softijsjes komt en het vervolgens bij af en toe een Magnum mini moet houden.

Bij de ergotherapeut en de sensorische integratiejuf werd ik mij langzamerhand bewust van al die verschillende soorten prikkels. Het langsrazende verkeer als ik links in de bus ging zitten bijvoorbeeld. Liever rechts, dan was het uitzicht al veel rustiger. Op een verjaardag was ik geneigd om dicht bij de deur een plaatsje te zoeken, dan hoefde ik de drukte niet in. Maar door daar te gaan zitten zat ik in de loop van iedereen die moest roken en plassen en werd ik juist sneller gek.

Toen Lars en ik gingen verhuizen kregen we de kans om ons nieuwe huis lekker S.I.-proof in te richten. Geen kek, druk behangetje op de muur, geen felle kleuren in iedere kamer van het huis en geen drukke wanddecoratie aan de muur tegenover het bed of boven de televisie. In vergelijking met het schreeuwerige circus waar ik hiervoor in woonde, is ons huis nu een oase van rust.

Toch kom ik steeds weer dingetjes tegen die nog niet helemaal ideaal zijn. Zo heb ik afgelopen week het bureau, dat ik naar het raam had gedraaid omdat dat er zo idyllisch uitzag, terug naar de muur gedraaid. Want ook al staat de volle zon vrijwel niet op dat raam, ik kreeg al hoofdpijn als ik naar het licht buiten keek en gebruikte mijn laptop dus eigenlijk altijd aan de eettafel. De witte gordijnen die we in eerste instantie in de slaapkamer hadden hangen, hadden we al heel snel vervangen voor donkergrijze. Er kwam zoveel licht door naar binnen dat ik al rechtop in mijn bed zat voor het goed en wel ochtend was.

Vanochtend heeft Lars jaloezieën opgehangen achter die donkere gordijnen. Het licht kierde namelijk achter de gordijnen langs en weerkaatste op de witte (S.I.-proof) muren. Op mooie dagen had ik al hoofdpijn voordat ik goed en wel onder de douche stond en het heeft idioot lang geduurd voordat ik erachter kwam dat het door dat ene kiertje zonlicht kwam. Maar nu is dat gelukkig opgelost en slaap ik morgen waarschijnlijk uit tot een uur of drie ’s middags.

Het zou handig zijn als er bij iedere storende prikkel een seintje zou hangen of een alarm zou afgaan. Oh nee, schrap dat laatste. Dan word ik dáár weer overprikkeld van. Maar het zou fijn zijn als iemand mij ergens van tevoren op zou kunnen wijzen. Een soort engeltje op mijn schouder dat ‘tuttuttuttend’ haar hoofd zou kunnen schudden als ik mijn bureau in een opwelling weer eens wil verplaatsen. Tot die tijd is het een ontdekkingstocht. Een speurtocht naar de stoorzenders. Berenjacht, maar dan anders.

Zou ik er een nieuwe outfit voor kunnen kopen, denk je? Leren jachtlaarzen, ofzo…

5e62ca4c8c07ecb28add9c2c9e30784a

De streepjesterreur (en andere ellende)

In de meivakantie was ik een weekje in Spanje. Helemaal bevangen van het mooie weer, de twee Spaanse oude dametjes die mij een Werter’s original aanboden en zeiden dat ik toch te jong was om voor de klas te staan (‘oh stop it, you’), de sangria en de toffe broek die een vriendin aan had, kocht ik in een opwelling een geweldige zomerbroek voor bijna niets. Hij zat heerlijk en Lars zei dat ik er lange benen in kreeg, dus ik was volmaakt gelukkig. Ik moest alleen niet naar mijn eigen benen kijken.

img_20160524_124741.jpg

De broek in kwestie

Ik heb moeite met het kijken naar scherpe contrasten. Mijn fysiotherapeute in het revalidatiecentrum droeg wel eens een jasje met een druk zwart-wit patroon. Als ik met haar in gesprek was, voelde het alsof haar jasje danste en de vloer bewoog. Sowieso was het revalidatiecentrum niet erg SI-proof ontworpen. Op de vloer lag een druk houtpatroon, de deuren bestonden uit een ander druk hout en tegen de muren lag een 40cm hoge plint van weer een ander soort hout. In de grote hal waren de overlopen en bruggetjes afgezet met een glazen wandje, met een ingewikkeld patroon van witte stippen. Door de wand heen kon je nog net de vloer op de begane grond zien, bestaande uit diagonaal gelegde rode stenen. Op slechte dagen moest ik met mijn ogen dicht en mijn hand op de leuning oversteken van de ene kant van het gebouw naar de andere. Anders viel ik om.

Scherpe contrasten doen letterlijk pijn aan mijn ogen en mijn hoofd. Ik word er misselijk en draaierig van en het lijkt alsof het drukke materiaal zelf gaat bewegen. Strepen zijn het ergste, zeker die Bretonse streep die nu zo lekker ‘in’ is. Mijn zusje en haar vriendje zijn trouwe aanhangers van de streepjesbrigade. Als ik die zie probeer ik altijd naast ze te gaan zitten, in plaats van tegenover. Ik mis zo waarschijnlijk alle nieuwe kapsels en mochten ze ooit een gezichtstatoeage nemen kan het maanden duren voor ik het door heb, maar ik hoef dan in ieder geval niet naar hun blauw-witte streepjes te kijken.

Laatst zag ik een jurkje waar ik op slag verliefd op werd. Maar: streepjes. Wat dat betreft is het wel goed voor de portemonnee. Voor mijn relatie ook. Want mijn voorliefde voor achterlijk drukke behangetjes (zoals in mijn oude huis) is een stille dood gestorven zonder dat Lars er ruzie over heeft hoeven maken. Ieder nadeel heeft wat dat betreft daadwerkelijk een voordeel.

Maar met de problemen met mijn nieuwe broek heb ik me nog niet verzoend. Ik kijk wel gewoon niet naar mezelf in de spiegel als ik hem draag. En als ik ga zitten, alleen maar aan tafel.

Ik krijg er lange benen in, namelijk. En dat is echt voor het eerst.

33bf5889bfd95496b309a4481e8037e2

Luistervink

Kennen jullie die reclame nog van mensen die aan het stopcontact roken en toen zeiden dat de stroom bedorven was? Het ging volgens mij om groene stroom en hoe die niet anders in kwaliteit was, maar wel beter voor het milieu. Hilarisch was het, ik weet het. Ik geef jullie allemaal even de tijd om te lachen.

Ik ruik geen stroom, ik hoor het. Dat klinkt net zo gestoord als aan de contactdoos snuffelen, maar het is echt zo. De adapter van de printer bijvoorbeeld. Die trek ik altijd rigoureus uit het stopcontact. Hij zingt namelijk en na een minuut of tien word ik er al gek van. Onze televisie doet het soms ook. Als hij al langere tijd aanstaat, begint hij een hele hoge pieptoon uit te zenden. Ook de oplader van mijn telefoon piept heel subtiel, maar oh zo doordringend zodra mijn telefoon volledig opgeladen is.

‘Ik hoor stroom!’ roep ik soms, als ik als een dolleman door het huis stiefel op zoek naar de oorzaak. Lars hoort het nooit en verklaart me voor gek. En daar zit de kern.

Voorstellen hoe het is om last te hebben van te veel of te scherp licht, is op zich niet moeilijk. Je hoeft je alleen in te denken dat je op klaarlichte dag de bioscoop uitloopt en je ogen dichtknijpt tegen het licht. Zo is mijn overprikkeling, alleen blijft die pijnlijkheid zolang ik buiten ben en gaat het zonder zonnebril vaak niet.

Maar geluidsoverprikkeling is een ander verhaal. Het is namelijk moeilijk voor te stellen dat alle geluiden vrijwel even hard binnenkomen. Op een verjaardag voel ik me doof, omdat ik alles hoor en het gesprek wat ik voer niet kan verstaan. Mijn oude horloges draag ik niet meer, omdat het tikken van de secondewijzer maar niet normaal werd voor mijn hoofd en eigenlijk alleen maar harder lijkt te klinken. Lange autoritten zijn loeizwaar, omdat het brommen van de motor na een tijdje lijkt te resoneren in mijn hoofd.

Ik ben niet gek, dat weet ik ook wel. Maar ik hoor wel stroom. Echt waar.

En nu jullie weer.

a9ac0f6c0b9186d8f493f790d360f960