Mopperblog

Ik belde de huisarts voor het maken van een afspraak. Er werd niet opgenomen. Het had me al heel wat moeite gekost om de telefoon op te pakken. Zo vlak na de vakantie ben ik altijd enorm chaotisch, rommelig, ongeconcentreerd en initiatiefloos en bellen is sowieso een taak waar ik al mijn energie (en moed) voor bij elkaar moet schrapen. En toen namen ze dus niet op. Om te janken.

Ik wilde een mopperblog schrijven. Over op de verschrikkelijkste dag van het jaar op Schiphol zitten met je rare hoofd aan het begin van de vakantie, over ’s avonds terugvliegen zodat je ‘nog iets aan je laatste dag hebt’ terwijl ik de hele dag op mieren zit omdat ik dat eigenlijk gewoon heel slecht kan. Over thuiskomen en rust nodig hebben en dat er dan bij de buren verbouwd wordt, in de tuinen verderop gezaagd wordt en door de buurkindjes in de straat geschreeuwd wordt. Over dat de schoonmaakster stopt en ik een nieuwe moet zoeken, maar ook dáár het initiatief niet voor weet te vinden. Over dat het honderddertigduizend graden is buiten en ik het om één of andere reden in Spanje een stuk beter trek dan hier in Nederland. Of over dat ik óók nog eens besloten heb een alcoholvrije maand in te lassen en daar nu al spijt van heb.

Maar weet je wat het is? Ik heb de huisarts uiteindelijk te pakken gekregen, ik heb mijn noise cancelling headphones nog niet opgeborgen na de vakantie, dus die zet ik lekker op vandaag en het voordeel van warm weer is dat ik geen pijnlijke zere-benen-broeken aan hoef. Ik heb nog een lekker boek op standje slechtziend op mijn e-reader staan, ga met een kop koffie in de schaduw op het balkon zitten en ik laat morgen de vriendelijke pubers van de Picnic gewoon weer de boodschappen bezorgen. Ik wilde vijf seconden een mopperblog schrijven en toen verdween die behoefte als sneeuw voor de zon. Zo erg is het allemaal niet.

Ik heb namelijk een fantastische vakantie gehad en ik voel me nu klote omdat ik daarvan moet bijkomen. Dat is niet erg, dat was het waard. Wanneer ik me slecht voel, is het altijd gemakkelijker om te klagen over het leven en de hele santenkraam en relativeren voelt dan als topsport, maar hé: ik ben op vakantie geweest. Ik ben bruin geworden (of nou ja – minder wit), ik heb het enorm naar mijn zin gehad en gelachen tot ik er buikpijn van kreeg. Ik ben weer lekker thuis en ik heb alle tijd om bij te komen. En bovendien is het veel te warm om te mopperen. Ik doe graag stoer en ik krijg dat ingebouwde sarcasme maar niet uitgeschakeld, maar stiekem heb ik echt, écht niets te klagen.

b3333a364007afce7980ce06c11a909b

Advertenties

Lijstjesmeisje 2.0

“Ik heb weer echt een slechte week. Ik heb de hele tijd zo’n hoofdpijn.” Ik was op het krukje gaan zitten in de kleedkamer en keek toe hoe Lars zijn t-shirts minutieus opnieuw opvouwde en in de kast opborg. Misschien was het deze totaal ongewone uiting van huisvlijt die mijn kop op hol deed slaan. Maar Lars had een andere verklaring:
“Dat heb je altijd als we bijna op vakantie gaan.” concludeerde hij en ik dacht; ‘oh ja’.

Het is tegenwoordig niet meer dat ik me heel erg zorgen maak over het hoe en wat van een vakantie. Ik ben inmiddels gewend aan reizen met mijn gekke hoofd en aangezien we over een paar dagen terugkeren naar hetzelfde stukje Spaans strand, hetzelfde hotel en dezelfde mensen als we de afgelopen twee jaar in mei hebben gedaan, verwacht ik niet dat we voor veel onverwachte omstandigheden zullen komen te staan. Ik weet zo’n beetje wat me te wachten staat, ik weet ongeveer hoeveel impact dat gaat hebben.

En toch ben ik onrustig en extra vermoeid. Lars roept al de hele week dat ik afspraken af moet zeggen en rust moet houden en ik snauw al de hele week terug dat er niets aan de hand is en dat ik me wel red. Maar de waarheid is dus dat ik hoofdpijn heb en al een aantal dagen als een kip zonder kop door het huis ren.

Ik denk dat het te maken heeft met overzicht houden. Structuur aanbrengen. Dat is al nooit mijn kracht geweest. Lars heeft deze week vakantie en ik had allemaal nuttige taakjes bedacht om uit te voeren wanneer hij toch vrij was. Er is niets van gekomen. Tegelijkertijd heb ik allemaal losse flodders in mijn hoofd. Onafgemaakte lijstjes van dingen die ik nog op moet zoeken, nog in moet pakken, nog moet regelen voordat we gaan. Per dag denk ik gemiddeld zeven keer: ‘Oh shit, belastingaangifte!’ en ga vervolgens iets anders doen. Ik draai al de hele week ‘de laatste voor de vakantie’-wasjes en trek dan weer iets aan dat ik eigenlijk mee had willen nemen. Ik ben de hele tijd maar chaotisch en ren mezelf voorbij.

Ik weet dat mijn ergotherapeut uit het revalidatiecentrum waarschijnlijk teleurgesteld zijn hoofd zou schudden als hij mij nu zou zien. Ik moest alles van hem opschrijven. Tastbare lijstjes maken. Wanneer het op papier was gezet, nam het in ieder geval geen ruimte meer in in mijn hoofd. Vrat het geen extra energie meer. En ik weet ook wel dat hij gelijk had. In alles, zo’n beetje. Het rare is alleen dat ik het steeds vaker weer vergeet.

Dus dat is het eerste dat ik nu ga doen. Lijstjes maken. Back to being a lijstjesmeisje. Structuur, overzicht, helderheid. En misschien eindig ik dan net zo geordend als het keurige stapeltje t-shirts in Lars’ kast.

42955ad573346abb5b0e8caf1d4ade08

Een dingetje

Als Lars en ik de jackpot zouden winnen, zouden we niet gaan verhuizen of een dure Tesla kopen. Ik zou geen Jimmy Choo’s kopen omdat ik er toch niet op kan lopen en hoewel een mooie, dure winterjas natuurlijk niet verkeerd is, zou ik me verder maar ongemakkelijk voelen in dure kleren. Nee, Lars en ik zouden een volledig gerenoveerde Volkswagen T1 camper kopen en in de vakanties door Europa toeren.

Helaas hebben we de jackpot nog nooit gewonnen (daarvoor zouden we eerst mee moeten spelen met een loterij) en blijft die T1 (of T2, desnoods T3, we zijn niet kieskeurig) een mooie droom. En dus komt iedere zomer ook weer de vraag op wat we gaan doen. Gaan we ergens heen? Waarheen? Hoe? Hebben we er geld voor? Hou ik het vol? Vakanties blijven toch altijd een beetje een dingetje.

Dit jaar zouden we niet gaan. Dat hadden we besloten en toen kregen we ineens het aanbod om tien dagen op een huis in Barcelona te passen. Ik heb nog twee dagen vastgezeten in mijn hoofd omdat ik om één of andere reden dacht dat ik niet kon of niet mocht en boekte toen een ticket. Lars zou de eerste zes dagen meegaan en de laatste paar dagen zouden er nog twee vriendinnen komen. Voor ik goed en wel alle beren op de weg geteld had, was het al rond en besloten en zaten we op Schiphol. En deze vakantie bleek ideaal!

Het huis van de vriendin kwam met een enorm dakterras waar het heerlijk toeven was. Ook lag het zo centraal dat niets langer dan een kwartiertje reizen per metro was en heel veel zelfs te lopen. Natuurlijk, de metro was pittig en volledig overprikkelend, maar zodra ik daarna bovenop de Montjuïc of de Bunkers del Carmel stond, was er weer rust en orde en overzicht. Omdat het huis zo centraal lag, konden we overdag iets doen, ’s middags thuis slapen (ik in bed en Lars in de hangmat) en ’s avonds weer ergens eten. Of thuis koken, wat voor mijn moeie hoofdje af en toe ook ideaal was. Ik ben de Ramblas drie keer overgestoken en heb hem verder gemeden, we lagen op het strand voorbij het Olympisch Dorp en ontvluchtten zo het gekkenhuis van Barceloneta en we streken neer in een craftbiercafé waar naast ons alleen een bardame, drie stamgasten en een verdwaalde pinxo waren. Middenin het hoogseizoen was Barca relaxed, gemoedelijk en muy tranquilo.

Met mijn vriendinnen zette ik die mood voort. Overdag lazen we boekjes op het balkon of speelden we een spelletje. Tegen het einde van de middag vertrokken we om iets cultureels te doen of ons ongans te eten aan alle pulpo die we konden vinden. En natuurlijk was het heftig om de hele dag met mensen te zijn, maar we konden ook rustig een uur ongestoord in stilte zitten, alleen onderbroken door de vraag wie er nog water wilde.

Op zondag vertrokken zij ’s ochtends vroeg. Mijn vliegtuig ging pas de volgende dag. De hele zondag ben ik alleen geweest, in dat grote, lege huis. Ik heb opgeruimd, een beetje gerommeld en in de hangmat gelegen en dutjes gedaan. Het regende die avond pijpenstelen dus ging ik ’s avonds vroeg naar bed. De volgende ochtend stond de taxi die ik besteld had al vijf minuten voor afgesproken tijd op me te wachten en was ik binnen no time op het vliegveld. Daar zocht ik het rustigste koffiebarretje in het verste hoekje en dronk ik in stilte mijn cafe con leche. Ik stapte als één van de eersten in het vliegtuig, zette mijn zonnebril en noise cancelling headphones op en viel in slaap. En toen ik in Nederland aankwam, voelde ik me best goed.

Ik heb me werkelijk waar nog nooit zo relaxed gevoeld na een vakantie of een dag reizen. Normaal gesproken is er toch drukte, stress, vermoeidheid van alle leuke dingen die ik heb gedaan en waartussen ik te weinig rust heb genomen. Overprikkeling van de transfer naar het vliegveld, van de drukte op het vliegveld, van de reis in het vliegtuig zelf en de persoon aan het raam naast je die tijdens een vlucht van twee uur vijf keer naar de wc moet. Nu was ik moe en ja, ook overprikkeld, maar ik kon nog rechtuit kijken, zinnen vormen en ik ging niet over mijn nek van de vermoeidheid. En ook de hele afgelopen week was ik wel moe, onhandiger dan anders en slomer, maar toch niet zó erg als andere jaren.

Vakantie blijft altijd een dingetje. Ik heb altijd een extra vakantie nodig om bij te komen van al mijn ervaringen op de plaats van bestemming. Maar als ik zo de balans eens opmaak, en vooral kijk naar hoe ideaal die laatste dag rust vóór het reizen is geweest, dan was deze vakantie perfect.

a5436184144d92c562e88ed8657f923e

Woordgrapje. Sorry.

De essentie

Vaak heb ik het gevoel dat ik stilsta. Letterlijk, want het grootste deel van mijn tijd besteed ik hakend op de bank. Maar ook figuurlijk. Dan kijk ik zo eens terug op bijvoorbeeld mijn werk en zie ik dat ik nog precies hetzelfde aantal uren werk als vorig jaar rond deze tijd. En dat ik het er nog altijd behoorlijk zwaar mee heb.

Vorige week waren Lars en ik in Spanje. We waren net als vorig jaar weer mee met de beachvolleybalreis. Maar in tegenstelling tot afgelopen jaar, trainde ik dit keer mee. Iedere dag! Niet twee keer per dag, zoals de ‘normale mensen’, maar ik stond verdorie wel mooi iedere ochtend op het strand (behalve toen het een dagje stormde en ijskoud was. Maar dat vertellen we er even niet bij). Waar ik vorig jaar een half uurtje mee trainde en besloot me op te geven voor een zomerseizoen op het strand, was ik nu gewoon één van de deelnemers tijdens de training. En ik was niet eens de slechtste. (Ook niet de beste, maar dat hoeft ook niet. Zeggen ze.)

Ik merk aan mezelf dat het niet gaat zoals ik zou willen. Zoals het vroeger zou gaan. Teveel snelle loopbewegingen, teveel of te lang omhoog kijken, dat breekt me nog altijd op. Ik moest halverwege een training uitstappen omdat de wereld draaide en ik maar mee bleef draaien en geen vaste grond leek te kunnen vinden. Halverwege de week merkte ik dat mijn concentratie de geest begon te geven en waar iedereen steeds meer in de potjes groeide en steeds sneller en beter werd, bleef ik achter en reageerde ik traag. Aan het begin van de week deed ik gezellig mee met spelletjes en de gesprekken tijdens het diner, maar de laatste dagen zat ik met tuutende oren en een manische grijns zo goed en zo kwaad te doen alsof het wel ging. Het viel veel mensen waarschijnlijk niet op, maar rond de donderdag hing ik erbij als een spookje op de automatische piloot. Bij thuiskomst heb ik me drie dagen écht goed beroerd gevoeld en nog altijd heb ik niet het idee dat ik al volledig geland ben. Ik ben nog altijd vermoeider dan anders.

Maar weet je? Ik heb het wel gedaan. Ik heb een hele week getraind en sociaal gedaan en tapas gegeten en cerveza en sangria gedronken. Ik was erbij en deed mee, in plaats van erbij staan en ernaar kijken. En voor mijzelf zal er altijd iets blijven knagen. Want ik vind het moeilijk te accepteren dat ik niet de beste, meest enthousiaste, pittigste, meest perfecte of de snelste ben. Ik wil namelijk graag overal de beste of perfectste of snelste in zijn. In alles. Dus én in werken, én in sport en huishouden en mijn sociale leven. Als dat niet kan, voelt het alsof ik stilsta en maar geen vooruitgang kan boeken.

Soms moet ik mezelf dan even streng toespreken. Ik sta niet stil. Misschien zit de winst niet in een vrouwelijke Reinder Nummerdor worden of in mijn werkzaamheden uitbreiden tot het niveau waarop ik er eindelijk tevreden mee ben (en wanneer heb ik dat eigenlijk bereikt? Ga ik ooit écht tevreden zijn met minder dan vroeger?). Het UWV heeft mij niet voor niets afgekeurd.

Maar de winst zit hem in iets kleiners, iets veel belangrijkers: ik kan doen wat ik leuk vind en er echt van genieten. Ik kan mijn leven zo inrichten dat ik ruimte en energie vind om de dingen te doen waar ik gelukkig van word. En is dat niet waar het leven in essentie om draait?

Natuurlijk zit er altijd dat calvinistische stemmetje in mijn hoofd dat roept dat ik mijn energie in ‘nuttige’ dingen moet steken. Werken, poetsen, administratie! Rust, reinheid, regelmaat! Maar dat stemmetje moet zijn kop houden. Als ze in de 16e eeuw beachvolleybal hadden gekend, had Johannes Calvijn vast iets meer van het leven genoten en een heel ander verhaal verteld. Daar ben ik van overtuigd.

769934bfb8520887cc73f3e5de93b6c9