Gekkenwerk

Toen ik mijn vorige blog schreef, zat ik een beetje in de knoop. Met meer willen dan kan en eigenlijk minder kunnen dan ik uiteindelijk deed. Ik was er dan ook niet verbaasd over dat mijn klachten weer begonnen toe te nemen. Mijn oren piepten en zoemden weer de hele dag, mijn hoofd klopte, mijn hart hamerde in mijn slapen en hield me ’s nachts wakker. De paar huishoudelijke taken die ik doe, bleven liggen. Ik was warriger en miste structuur, duizelig en misselijk en oververmoeid en tegen Lars was ik niet op mijn gezelligst.

Mijn grootste struikelblok is mijn enthousiasme. Ik vind eigenlijk alles leuk! En als ik iets niet leuk vind, dan is er vaak nog mijn gevoel voor verantwoordelijkheid dat vindt dat ik het toch maar even gewoon op moet pakken. Of dat iets afzeggen uit den boze is. Zo nam ik op mijn werk een uur bijles erbij en reed ik zelf op en neer naar Delft om de baby van een vriendin te zien, terwijl ik ’s avonds ook nog moest koken en hardlopen van mezelf.

Als ik het zo opschrijf, vind ik mezelf een sukkel. Maar dat stomme hoofd van mij is zó verraderlijk! Ik kan het zeuren en het piepen en het bonken echt heel lang negeren. Ik kan doen alsof het allemaal prima gaat en dit wekenlang volhouden. Ik slik een ibuprofennetje en ik doe net of ik ‘normaal’ ben.

Ik vond mezelf terwijl ik het deed ook al een sukkel. Maar stop er maar eens mee. Zeg maar eens tegen je beste vriendin dat je niet op haar verjaardag kunt komen, omdat je ook al een babyshower hebt die dag. Zeg maar eens een hardloopwedstrijd af waar je maanden voor getraind hebt, omdat je die babyshower en verjaardag de vorige dag gehad hebt. Zeg maar eens ‘nee’ tegen een bijles Frans als je de enige optie bent voor zo’n knul die anders zijn examen gaat verpesten. En als je toch al vindt dat je best één op één bijles moet kunnen geven en dat een uurtje extra per week ook het verschil niet moet maken.

Vorige week zat ik een weekje in de Oostenrijkse bergen met mijn ouders en zusjes. Even helemaal weg. Het was een heerlijke vakantie van niets moeten. Een beetje skiën, een beetje in de zon zitten, een beetje boekje lezen, haken en wandelen en verder nergens over hoeven denken. Voor eten werd gezorgd, de boodschappen werden gedaan en ik hoefde niet na te denken over planning, administratie of huishouden. Ik hoefde alleen maar even tot rust te komen. En conclusies te trekken.

Want zoals ik het deed, ging het niet. Dus drastic times call for drastic measures. Ik moet mezelf weer even streng toespreken. Ik ben geen superwoman, ik kan niet alles. En om me goed te voelen, moet ik lief zijn voor mijzelf. Hoe moeilijk dat ook is.

Dus heb ik het uurtje bijles op mijn werk stopgezet. Natuurlijk voelt het ergens als falen, dat ik na een jaar dus blijkbaar nog altijd niet kan uitbreiden op mijn werk. Maar soit, dat is dan maar zo. Ik heb leuk werk en om ervan te kunnen genieten moet ik fit zijn. Dus hoop ik dat minder, meer oplevert. En ik heb strenge afspraken met mezelf gemaakt over mijn weekenden. Ik mag nog maar twee dingen doen. Per weekend. Voor komend weekend betekent dat even ergens ontbijten met Lars op zaterdag en op zondag de verjaardag van mijn opa. Niet nog even vrijdagavond blijven hangen met collega’s. Niet tóch nog even zaterdagavond uit eten met vrienden van Lars. Dat is gekkenwerk en ik heb rust nodig. Mijn hoofd is al gekkenhuis genoeg van zichzelf.

381aa4680d55424761f76c536b260114

Plafond

Ik zou liegen als ik mijzelf ambitieus zou noemen. Ik had dat nooit zo. Niet in de zin van: flitsende carrière, waanzinnig inkomen, mooie auto, dure designerkat of -hond en iedere maand frisse, nieuwe nepnagels. (Dát kost een hoop geld trouwens! Ongelooflijk. Waar doen vrouwen dat van?!) Als ik dat had gewild, had ik na het VWO iets anders moeten kiezen dan de lerarenopleiding. Ik wilde gewoon graag de hele dag aan het woord zijn en van blije bruggers bijdehante opmerkingen krijgen over mijn schoenen. Dat tot mijn zeventigste. Daar had ik voor getekend.

Toen ik mijn baan niet meer uit kon voeren, moest ik eerst door een rouwproces. Ik was geen docent meer. Het voelde alsof ik beroofd werd van een deel van mijn identiteit. Ik miste de kinderen, ik miste mijn collega’s. Maar ik miste ook de regelmaat, het doel in mijn dag, de structuur in mijn jaar. Toen ik door het UWV volledig werd afgekeurd, was dat pijnlijk: het voelde alsof ik afgeserveerd werd. Tegelijkertijd was het ook een opluchting. Ik was toen nog zo druk bezig met mijzelf opnieuw leren kennen, er was simpelweg geen ruimte in mijn hoofd om naar de toekomst te kijken.

Twee jaar geleden kwam ik terecht bij de huiswerkbegeleiding. Dat bleek een enorme eyeopener. Heel langzaam wist ik daar op te bouwen en vorig jaar januari kreeg ik voor het eerst weer een contract. Dat was geweldig! Waar ik nog niet zo lang geleden had gedacht dat ik mijn dagen op de bank achter de geraniums zou moeten slijten, had ik ineens weer werk! Ik had een doel, een structuur, een uitdaging. Wat een feest!

Niet zo lang geleden dronk ik een kopje koffie met mijn directrice. Ik gun iedereen met een ‘arbeidshandicap’ een directrice zoals zij. Ze denkt altijd ontzettend fijn mee en ik heb altijd alle ruimte gekregen om mijn eigen pad te bewandelen. Eén keer in de zoveel tijd praten we even bij, kijken hoe we ervoor staan. En daar zaten we dus weer en ik vertelde dat het goed ging. Dat ik het nog altijd naar mijn zin heb. Dat de kinderen leuk zijn. En dat ik misschien wat meer uitdaging zou willen.

Ik schrok zelf van die laatste opmerking. Méér uitdaging?! Maar ik ben nog steeds uitgeput als ik thuiskom van drie uur werk! Ik moet nog steeds al mijn activiteiten om mijn werk heen plannen! Ik zie mezelf nog altijd niet uitbreiden naar méér dan die zeven uur per week! Waar had ik het in vredesnaam over?

Maar ik realiseerde me ineens dat huiswerkbegeleiding geven ontzettend leuk werk was, maar niet zo heel spannend voor iemand met een tweedegraad en ervaring voor de klas. Dat mijn directe collega’s allemaal ontzettend leuk zijn, maar wel allemaal nog student. Dat de volgende functie die mij binnen het bedrijf ontzettend leuk lijkt vestigingsmanager is en dat dit een fulltime functie is. Dat ik het aller-, aller-, allerliefste weer ‘gewoon’ terug zou gaan voor de klas, maar dat er geen enkele school is die mij voor vier uurtjes aan gaat nemen als ik ook alle taken en vergaderingen skip (‘nee jongens, ik doe geen teamvergaderingen en surveilleer niet tijdens de SE-week. Succes, hè!’).

Mijn directrice is geweldig. Mijn werk is geweldig. Ik weet dat ik het daar ontzettend mee getroffen heb. Maar er is geen andere werkgever die het goed vindt als ik na een uurtje werk een half uurtje pauze ga houden. Er is geen enkele andere werkgever die overal maar uitzonderingen voor wil bedenken voor mij. Er is geen andere functie die ik zó goed aan kan passen aan mijn eigen behoeften.

Er was me daar tijdens dat kopje koffie, in een onbewaakt ogenblik ineens iets bekropen: Ambitie. En eerlijk gezegd beviel me dat voor geen meter. Ik heb een leuke baan en ik ben allang blij dat ik geen geestdodend lopendebandwerk hoef te doen. Maar het idee dat ik nog geen dertig ben en al keihard tegen mijn eigen glazen plafond aan geplakt zit, maakt me soms best verdrietig.

De afgelopen jaren heeft het leven me vaak weten te verrassen. Steeds als ik dacht dat ik mijn grenzen nu wel zo’n beetje bereikt had, bleek er voorbij die grens nog een wereld aan mogelijkheden te liggen. Die hoop wil ik ook vasthouden. Maar die onbekende wereld vol verrassingen, zie ik nu even niet. En hoewel ik ieder blog graag zo hilarisch mogelijk wil eindigen, mogen dipjes er soms ook even zijn. Dus mocht je in je broek hebben willen piesen van het lachen (of gewoon even grinniken, dat kan natuurlijk ook), kom dan snel weer terug. Vanavond zitten ik en mijn plafond helaas even vast.

32be8cf9f008ea094121e62274365ac6

Ik voel het aan mijn wangen…

Ik ben op mijn gezicht terechtgekomen. Dat is alvast een dikke tip voor iedereen die in de toekomst van plan is een auto te koppen: vang jezelf op met je handen. Je gezicht is er niet voor gemaakt.

Ik brak niet alleen wat tanden, maar ook mijn gehemelte en jukbeen. In het jukbeen zat een scheurtje en de eerste dagen na het ongeluk zat er een enorme bult bovenop. Die bult trok langzaam weg. Hij zakte steeds een beetje verder af, tot ik een hamsterwangetje aan mijn kin had hangen waar Knabbel en Babbel jaloers op zouden zijn. Ook de kleur, die veranderde van rood naar paars en blauw en uiteindelijk geel met groen, zakte van mijn wangen naar mijn kaken om uiteindelijk compleet te verdwijnen. Vervolgens zat er nog lang een harde verdikking op mijn jukbeen die slecht te zien was, maar die ik wel kon voelen. ‘Littekenweefsel’ hoorde ik zeggen en dat vond ik aannemelijk. Soms moet je het ook niet moeilijker maken dan het is.

Het duurde even, maar ook die verdikking verdween. Er is nu niets meer te voelen of zien (hoewel ik mijn gezicht bijzonder asymmetrisch vind, maar misschien was dat altijd al wel zo), van die bobbel op mijn jukbeen. En toch voel ik hem nog steeds.

Wanneer ik stress heb of moe ben, wanneer ik mezelf te druk maak of overprikkeld raak, voel ik de plek op mijn jukbeen kloppen en zeuren. Alsof de zenuwen niet goed geheeld zijn en precies weten wanneer ze mogen komen feesten. Toen we in onderhandeling waren over ons huis, toen ik een afspraak had met een psychiater voor een medische expertise, toen ik kapot was na iets te enthousiaste feestdagen. Toen ik weer voor het eerst een uurtje voor de klas gestaan had, ik moe was maar toch even ging eten bij mijn beste vriendinnetje of toen ik na haar bruiloft stond te tollen in de supermarkt. In al die situaties voelde ik mijn jukbeen pijn doen alsof iemand me net een rake rechtse onder mijn oog had gegeven.

Die plek op mijn jukbeen is mijn wichelroede. Ik doe heus mijn best, maar in mijn enthousiasme vergeet ik nog wel eens dat ik op mijn grenzen moet letten. Hoofdpijn is zo normaal geworden dat ik zelfs dat soms besluit te negeren. En verder ben ik doorgaans ook totaal niet eigenwijs. Dus wanneer mijn jukbeen opspeelt, weet ik dat ik écht op mijn tellen moet gaan passen. Die pijn fluit me terug en zet me even op het strafbankje.

Dit weekend was weer allemaal iets te leuk en iets te druk. Gisterochtend riep ik nog enthousiast dat ik me bijzonder goed voelde gezien het etentje de vorige avond. Gisteravond zat ik met een kloppende wang en een tollend hoofd rechtop in bed omdat ik vreselijke nachtmerries had door de drukte in mijn hoofd. En ook nu is het nog alsof er een bonte specht een gat in mijn wang probeert te hameren.

Dus heb ik net de boodschappen bij de Albert besteld en doe ik vandaag verder even helemaal niets. Ik voel namelijk aan mijn water – ik bedoel: wangen – dat ik even op de rem moet. Dus dat doen we dan ook maar.

1bdccc2c35cc7469b2318ad610234851

Jegens en pril

Wanneer ik vroeger een avond aan het stappen was, er enkele eenheden alcohol naar binnen waren gegleden en de toevallige passant waar ik een kletspraatje mee maakte net mijn nieuwe beste vriend was geworden, vond ik het ineens superbelangrijk dat ik goed begrepen werd. Maar écht goed begrepen, zeg maar. Volledig en op een dieper niveau. Snap je? Gewoon helemaal totaal begrepen.

Ik viel dus graag in herhaling. In nuchtere staat hoorde ik mijzelf ook graag praten, maar was ik wat beter in staat om een normaal gesprek te voeren. Ik kon met iedereen kletsen en het viel haast nooit stil. Lekker keuvelen, koetjes en kalfjes. Dat soort dingen. Ook zonder alcohol vond ik het belangrijk om mijn punt duidelijk te maken. Ik had er alleen nooit echt problemen mee.

Nu is dat wel anders. Gesprekken zijn een stuk vermoeiender geworden. Zolang ik fit ben, ben ik er nog altijd goed in. Maar zodra mijn energie een beetje opraakt en ik moeite moet doen om me te blijven concentreren, wordt het een krachtsinspanning. Ik probeer mijn aandacht erbij te houden, maar raak afgeleid door ieder geluidje, iedere aanraking. Ik wil graag meepraten, doorvragen, het gesprek op gang houden, maar mijn hoofd gaat trager werken en ik kom er pas op als er allang een nieuw onderwerp aangesneden is. Er zweven halve zinnen in mijn achterhoofd maar ik kan de juiste woorden niet vinden om ze af te maken. Of er blijven zinnen hangen en ik krijg ze niet weggeduwd om mee te praten over nieuwe zaken. Er floepen dingen uit mijn mond die ik helemaal niet wilde zeggen en wanneer ik het wel voor elkaar krijg te zeggen wat ik zo ongeveer wilde vertellen, blijf ik toch zitten met een onbestemd gevoel omdat ik niet op dat ene woord kon komen dat zo perfect uitdrukte wat ik bedoelde.

Soms ben ik daardoor wat ongepolijst. Soms grof, ongepast. Flap ik er dingen uit waar de situatie helemaal niet om gevraagd heeft. Soms begin ik een verhaal tegen Lars en haal ik alles door elkaar zodat het onbegrijpelijk wordt, en word ik boos op Lars omdat hij me niet begrijpt. Soms lijk ik ongeïnteresseerd, omdat ik niet snel genoeg schakel om door te vragen, interesse te tonen. Soms sta ik te vloeken tegen mijn telefoon, omdat de swype het woord dat ik zeggen wilde tot vier keer toe veranderde en ik nu niet meer weet welk woord ik wilde gebruiken. En soms ben ik ronduit grappig als ik weer eens de was kook en het eten was en er allerlei onzin uit mijn mond komt die mijn hoofd nog niet eens bedacht had.

Vandaag gaf ik een extra taallesje aan mijn brugklassers en bespraken we de woorden ‘jegens’ en ‘pril’. Lekkere woorden vind ik dat, jegens en pril. En dat zei ik natuurlijk tegen die leerlingen, dat het zulke lekkere woorden waren. Jegens en pril. En ineens zong het alleen nog maar in mijn hoofd over lekkere woorden en jegens en pril. Ik wilde het ineens nét zo vaak herhalen als alle lamme praat in de kroeg. Jegens en pril. Lekkere woorden. Lekker man! Vinden jullie dat geen lekkere woorden? Jegens en pril.

En ik zag ze naar me kijken alsof ik gek was. En dat flapte ik er ook maar even uit. En dat was bevrijdend. Dat is denk ik wat ik geleerd heb. Het is niet altijd fijn om uit de toon te vallen, maar dat ik een geldig excuus heb maakt het een stuk makkelijker. Ik heb een mateloze bewondering voor mensen die schaamteloos excentriek durven te zijn. Gekke oma’s die ‘ach joh, ik ben tachtig, kan mij het schelen!’, zeggen. En die houding ga ik ook maar eens aannemen.

Ik voer rare gesprekken en flap er ongepaste dingen uit. Ik val regelmatig in herhaling en roep ineens dingen waar ik vier uur geleden maar niet op kon komen. Lars moet regelmatig gokken wat ik bedoel, mijn toekomstige hypothetische kinderen gaan zich verschrikkelijk voor me schamen en voor alle kinderen in mijn omgeving word ik die excentrieke tante Suus (‘Mama, tante Suus zei vandaag…’ ‘Tante Suus is een beetje gek, lieverd’). Maar ach joh, ik ben keihard op mijn hoofd gevallen. Kan mij het schelen!

Jegens en pril. Lekker hè?

23c394b254c949eeabd3a9513ebb4b3e

In het diepe

Tijdens mijn re-integratietraject leerde mijn coach me dat ik nog altijd mezelf was. Ik voelde dat niet meer zo. Het was alsof met alle dingen die ik niet meer kon, ik een groot deel van mijzelf kwijtgeraakt was. Maar mijn juf ging met me op zoek naar wie ik was zónder alle dingen die ik deed. Gewoon die kern van binnen, die je maakt wie je bent. Uiteraard vond ik dat in het begin zweverige lulkoek. Maar uiteindelijk had ze toch weer gelijk.

Dat ik inderdaad nog altijd ben wie ik altijd ben geweest, bleek afgelopen feestdagen wel weer. Ik was altijd iemand van de extremen. Jantje lacht, jantje huilt. Ook met alle dingen die ik deed – werken, sporten, feesten – was ik van de filosofie ‘go big or go home’. Of de immer populaire ‘work hard, play hard’. De afgelopen jaren heb ik mij tijdens feestdagen en feestjes op rantsoen gezet. Rustig aan, veel rust, eerder weg, op tijd naar bed. Maar wat werd ik daar ongelukkig van, zeg. Want in mij zat nog altijd dat drukke meisje dat ‘Willen we méér, of minder grenzen?!!’ riep.

En dus heb ik afgelopen feestdagen die regeltjes en grenzen lekker aan de kant geschoven. Ik besloot er vólop van te gaan genieten. Het resultaat van deze drukke feestmaand is toch altijd dat ik nog dagen als een dood vogeltje in bed lig. Dan maar liever zorgen dat al die ellende de moeite waard is.

Vrijdag vóór de kerst begon met een bruiloft van één van mijn beste vriendinnen. Natuurlijk heb ik tussendoor wel even gerust, maar ik heb er wel grenzeloos van genoten. Zo ook van de kerstdagen. Waar ik overdag mijn bed niet uit te trappen was, heb ik tijdens de verschillende kerstdiners alle regeltjes in de wind geslagen en gewoon geschranst en gefeest. De week tussen kerst en oud&nieuw spendeerde ik goeddeels in comateuze toestand, maar oudjaarsavond heb ik het feestje dat Lars en ik in ons ‘nieuwe’ huis vierden vollop meegevierd.

Het is alsof ik op vrijdag de 23e mijn neus en ogen dichtgeknepen heb en in het diepe ben gesprongen en pas gisteren zo’n beetje spartelend boven ben gekomen. En zo lunchte ik vanmiddag op de Denneweg met mijn beste vriendinnetje. Sinds lange tijd was ik weer eens in de stad en voor het eerst sinds Tweede Kerstdag zat ik weer op de fiets. Ik heb een enorme klap gehad van al dat feesten en ik heb Lars in zijn vakantie vrijwel alleen gezien als hij me wakker kwam maken. Maar wat was het leuk!

Echt verstandig was het waarschijnlijk niet. En het was al helemaal niet volgens de regeltjes. Maar ik heb meer genoten dan de afgelopen jaren en, niet geheel onbelangrijk: ik leef nog. Natuurlijk zijn de naweeën gigantisch, maar dat wist ik vooraf. Het feit dat ik hiervoor heb kunnen kiezen, dat ik er vol overgave in het kunnen springen, dat ik me eindelijk weer een beetje mijzelf voelde en dat het zo goed bevallen is… Dat is stiekem gewoon ontzettend vet!

c69f9947a89c7789b3bf96ca25ee6343