In m’n skinny jeans

Mijn zus en zwager zochten een nieuw huis. Ze wilden geen klushuis, dus kochten ze een zes jaar oude nieuwbouwwoning, sloopten alles eruit wat los en vast zat en bleven uiteindelijk over met een klushuis. Dit heeft verder nog helemaal niets met mij te maken, maar blijf er even bij.

Ik hou van klussen. Al mijn zussen en ik blijven in de weer met muurtjes verven, houtwerk afkrabben, behangetjes plakken of badkamermuurtjes tegelen. Dit hebben we met de paplepel ingegoten gekregen, denk ik. Ik ben er nog steeds gek op. Het kost me alleen zoveel meer moeite dan vroeger dat ik het bijna nooit meer doe. Maar de nieuwe badkamer was geïnstalleerd in mijn zus’ huis, de muren waren gestuct en het enige dat nog ‘even’ moest gebeuren was het afstotelijke oranje houtwerk dat door het hele huis te zien was, donkergrijs verven. En dat kon ik wel, vond ik zo. Grondverfje aanbrengen, eitje.

En zo trok ik dus op een mooie zaterdagmorgen de doos met kluskleding uit de kast. Ik denk dat alle vrouwelijke lezers zich wel voor kunnen stellen hoe fijn het was dat een broek die ik zeven jaar geleden (op mijn 24e en het hoogtepunt van mijn fitnesswaanzin) gekocht had, nog altijd paste. Maar het allerfijnste voor mij, was dat ik hem een middag lang aan heb gehouden zonder brandende benen. Een hele middag in een spijkerbroek!

Ja, ik voelde hem de hele dag zitten en nee, aan het einde van de dag was dit niet meer per se fijn. Ik zal denk ik nooit meer een spijkerbroek aantrekken om thuis in te chillen. Maar het ging dus wel! Een gewone spijkerbroek! Met kontzakken achterop en een rits voorop en niet die eeuwige legging of jegging die ik normaal altijd draag en waar ik na een jaar of zes inmiddels wel op uitgekeken ben.

Vorige week toog ik naar de winkel en haalde ik een nieuwe skinny jeans. Van hele zachte denim, met lekker veel zachte stretch. Tot nu toe wil ik niets anders meer aan als ik ergens heen ga. Het voelt zo lekker… gekleed. Ik weet heus wel dat het voor de rest van de wereld ‘gewoon’ een spijkerbroek is en er niemand is die denkt; ‘Goh, wat loopt die vrouw er goed bij in die spijkerbroek!’, maar ik denk het zélf, ik voel het zelf. En het voelt alsof ik zweef.

Ik verfde één raam bij mijn zus, begon aan een tweede en merkte een kwartier later dat ik al vijftien minuten naar de vogels buiten in de tuin stond te kijken met een druipende kwast in mijn hand. De focus reikt blijkbaar nog altijd niet verder dan het in de grondverf zetten van één raam. Maar die dag heeft iets anders opgeleverd. Namelijk dat ik nog altijd in mijn oude broeken pas. Oh nee, ik bedoel; ik vier weer feestjes in m’n skinny jeans!

1cc618362829a4535a06182f2d7f9893

Advertenties

Leven alleen

Een tijdje geleden stond de onderbuurvrouw aan de deur om te vertellen dat ze een feestje zou geven voor haar verjaardag. Wat buren betreft, had ik het met haar niet beter kunnen treffen. Ze luisterde ingespannen toen ik haar kort na kennismaking vertelde over mijn klachten en heeft er vervolgens altijd rekening mee proberen te houden. Ze vertelde zelfs een keer dat ze, na het horen van een harde klap boven haar hoofd en met in gedachten de wetenschap dat ik soms evenwichtsproblemen heb, bijna naar boven was gerend om te checken of ik niet ergens ingestort op de grond lag. (Ze hoorde me wat later weer rond scharrelen, dus ging ervan uit dat het wel goed zat, maar dat terzijde.) In ieder geval vertelde ze over haar feestje, hoe lang ze verwachtte dat de herrie zou duren, hoe ik haar kon bereiken en oh ja, ook nog tussen neus en lippen door dat zij en de buurjongen uit elkaar waren. Of ik het me voor kon stellen. Hij was er gewoon vandoor gegaan, een dag vóór haar verjaardag. Ze was er nog verbolgen over.

Enigszins zelfgenoegzaam vertelde ik dit hele verhaal die avond aan Lars. De onderburen maakten vaak ruzie en aangezien hij halfdoof was, sprak hij sowieso al heel hard en moest zij vaak gillen om er overheen te komen. Ik zette regelmatig de tv uit om mee te genieten van de live soap die onder mijn voeten plaatsvond. Natuurlijk waren zij uit elkaar, dacht ik. Het was überhaupt een wonder dat het zo lang had geduurd. Ze hadden vrijwel altijd bonje en bij die ruzies kwamen een heleboel destructieve nooits en jij doet altijds en een stortvloed aan scheldwoorden kijken. Ik dacht dat ik het volste recht had laatdunkend te doen. Wij maakten nooit ruzie en we hadden altijd plezier samen. Ik dacht dat ik relaties begrepen had.

Misschien had ik dat ook wel, of misschien leefde ik in een gelukzalige bubbel die niets met de werkelijkheid van doen had. Ik weet niet of ik daar ooit antwoorden op zal krijgen. Het doet er misschien in het grote geheel ook niet zoveel toe. Het simpele feit is dat mijn relatie voorbij is. Na 6,5 jaar maakte hij er een eind aan. Of je je dat voor kunt stellen. Ik ben er nog verbolgen over.

In mijn vorige blog schreef ik dat ik niet wist hoe persoonlijk ik wilde worden, hoeveel ik wilde vertellen omdat het dit keer ook andere mensen aanging. Maar dit stukje wil ik toch kwijt. Lars was een ongelooflijk belangrijke factor in mijn revalidatie, mijn herstel, mijn plezier in het leven. Met hem leven gaf mij structuur, gezelschap, een klankbord en rust. Hij was degene aan wie ik mijn planning of ideeën voorlegde, omdat hij zo heerlijk kon relativeren en mij door en door kende – beter dan ik mijzelf. Ik schreef al dat ik dacht iedere situatie wel zo’n beetje gehad te hebben intussen, mijn nieuwe ik nu wel te kennen. Maar nooit had ik kunnen weten dat ik deze zoektocht weer aan zou moeten; de speurtocht naar een leven alleen.

Ik ben dit blog begonnen op het meest donkere moment in mijn leven. Ik moest stoppen met werken, opgeven wie ik dacht dat ik was, wie ik hoopte te worden. Het heeft mij ontzettend veel gegeven alles van me af te schrijven, te delen met jullie. De reacties die ik via alle verschillende wegen heb ontvangen, hebben me altijd enorm veel goeds gedaan (zelfs als ik er niet altijd aan toekwam om erop te reageren – scusi!). En dus voelt het logisch te blijven schrijven, zelfs nu. Juist nu, misschien. Omdat ellende delen met vreemden op het internet, soms juist heel veilig voelt.

98b8286e34e0afe3766f41bcc031599b

Onbekend terrein

De laatste tijd (zo’n twee jaar ongeveer, laten we het niet overdrijven) merkte ik dat ik steeds minder te bloggen had. Want dat gekke hoofd van mij wende wel zo langzamerhand. Ik was alle situaties inmiddels wel zo’n beetje tegengekomen en wist wat ik van het leven en mijn reactie daarop kon verwachten. Zoals ik al eerder schreef: er was een nieuwe normaal. En dus dacht ik dat ik misschien klaar was met bloggen, met mijn gedachten op het scherm zetten en jullie laten delen in wat er speelde.

Boy, was I wrong

Want ja, ik weet hoe ik reageer tijdens een verhuizing, een vakantie, een lange autorit of wanneer er een stroomstoring is op Schiphol en alle vertrekhallen op slot gaan, ik verdrink in een zee van vakantiegangers en koffers en ik al volledig doorgedraaid en overprikkeld ben voordat ik goed en wel een voet in het vliegtuig heb gezet. Ik ken mezelf in die situaties, ik weet wat ik aankan en wat ik niet aankan maar toch doe omdat ik weet hoe zwaar de terugslag gaat zijn. Het is inmiddels allemaal bekend terrein. Ik hoef daar niet meer over te schrijven.

Maar het leven zou het leven niet zijn als het je niet blijft verbazen. In positieve of negatieve zin. En het voelt alsof ik vooral dat laatste de laatste tijd op mijn bordje krijg.  Ik weet van mezelf hoe ik omga met tegenslag die mij aangaat. Toen ik hoorde dat ik moest stoppen met werken, bijvoorbeeld, of iedere zeikbrief van de letselschadezaak die in mijn inbox verschijnt. Maar hoe ik omga met verdriet en teleurstellingen die buiten mijzelf liggen – ziektes in de familie, ellende om me heen, verbroken relaties, noem het maar op – dat weet ik nog niet. En helaas is dat iets wat ik de komende tijd waarschijnlijk moet gaan onderzoeken.

En dat brengt mij op een ietwat vreemd punt; al bijna vijf jaar schrijf ik hier eerlijk over wat ik meemaak en voel. Ik heb mijn hart regelmatig open en bloot op tafel gelegd en angsten en verdriet met de hele wijde wereld gedeeld. Maar nu weet ik niet hoe persoonlijk ik wil worden, hoeveel ik wil vertellen. Het is allemaal prima wanneer twijfels en onzekerheid of ellende en verdriet mijzelf aangaan, maar wanneer het de mensen die ik liefheb betreft, komt het ineens heel dichtbij.

Ik zit thuis en dat helpt niet. Er is geen werk waar ik naartoe kan vluchten om afleiding in te zoeken. Zonder afleiding is de confrontatie soms maar moeilijk te ontvluchten. Daarbij komt dat mijn gekke hoofd kan blijven hangen op gedachten of ideeën en ik me daar maar met moeite van kan losweken. En dus is daar ineens mijn blog weer. Een uitweg uit mijn eigen malende hoofd. Een manier om orde aan te brengen in de chaos, van me af te schrijven wat ik voel. De vraag is nu alleen nog of ik dat wel wil. Omdat ik op dit blog waar mijn hele gevoel bloot ligt als zenuwuiteinden tijdens een wortelkanaalbehandeling, het wel héél persoonlijk vind worden allemaal.

a6af6d582deda09e47f35d0726b20067

JOMO

Omdat mijn persoonlijke Grinch geen boom in huis wilde, kocht ik een soort kerststruik, zette hem in een gouden pot, hing er wat ledlampjes in en versierde de spiegel op de schouw met een ander lichtsnoer. Het is december, de feestdagen staan voor de deur en het eerste wat ik er dit jaar bij dacht was; ‘het moet maar weer’.

Al eerder heb ik geschreven over hoe mijn rare hoofd steeds meer een deel van mijn leven is geworden. Zoals ik toen schreef: er is een nieuwe normaal. Ik ben de meeste situaties al een keer tegengekomen sinds het ongeluk, weet van mezelf hoe ik reageer op gebeurtenissen en weet regelmatig niet meer hoe het vroeger was, vóórdat alles zo drastisch veranderde. Het went. Godzijdank went alles.

En dus ga ik opnieuw de feestdagen in met mijn gekke hoofd. Maar dit jaar valt me iets op; ik kijk er niet zo tegenop als andere jaren. Lange tijd vond ik het echt lastig, namelijk. Al die drukte, die gezelligheid. De lampjes, de muziek, het vuurwerk, de herrie. De duizenden afspraken, sociale verplichtingen, kaartjes en berichtjes. Ik wilde alles meemaken, overal op reageren, de feestdagen navigeren tussen wat ik allemaal wilde doen en wat er uiteindelijk mogelijk was. Vaak sloeg ik door, vaak was de balans – zelfs na heel serieus plannen – toch volledig zoek.

Dit jaar voelt het anders. Ik hóef van mezelf namelijk niet overal aan mee te doen. Sterker nog – ik wil het niet eens. Waar ik andere jaren nog heel erg het gevoel had dat ik dingen mis zou lopen en bang was voor de FOMO, voel ik nu het tegenovergestelde: JOMO. The Joy of Missing Out. Dit jaar ga ik ervan genieten dat ik het circus zoveel mogelijk aan me voorbij laat gaan.

Het duidelijkste voorbeeld daarvan gaat Oud & Nieuw zijn. Ieder jaar kijk ik daar tegelijkertijd naar uit en tegen op. Ik wil een leuk feestje vieren met fijne mensen, maar zit op hetzelfde moment al vanaf ’s ochtends vroeg met mijn Noise cancelling headphones op mijn hoofd ongelukkig op de bank te doen alsof ik geen last heb van alle knallen buiten. Ik drink ’s avonds veel, om de prikkels maar te dempen en het feest vol te houden. En vervolgens heb ik een kater van een week en drie weken later nóg last van dat ene feestje. Oud & Nieuw zuigt me ieder jaar leeg als een leger bloedzuigers op een been.

Handenwrijvend heb ik dit jaar dus mijn nieuwe plan opgesteld. Ik ga de stad uit. In het huis van mijn ouders middenin de polder, ga ik de oudejaarsconference kijken en een Mount Everest aan oliebollen eten. Ik ga naar het vuurwerk van de stad in de verte kijken en om kwart over twaalf naar bed. Ik kan me nu al wentelen in die JOMO. Ik vind het niet ongezellig dat ik niet bij Lars of vrienden ben. Ik vind het niet zielig voor mezelf om me te onttrekken aan het gekkenhuis. Ik kies er heel bewust voor. Dit jaar ga ik voor rust en stilte. En dan hopelijk, als alles meezit, begint mijn nieuwe jaar voor de verandering een keer op 2 januari, in plaats van op 20.

ef279b5e9a4c10b0b6a0ac8764ff54a3

PS. I love you

43c2debb05b6591b494b7c3f32cbfa72

De slaap nog uit mijn ogen wrijvend, fietste ik naar de tandarts. Mopperend op de vlaag van verstandsverbijstering die mij blijkbaar was overvallen op het moment dat ik deze afspraak op zo’n onchristelijk tijdstip maakte. Waarschijnlijk had ik bedacht dat ik ’s ochtends vroeg op mijn best was. Ik had er alleen niet bij stilgestaan dat er ook nog zoiets was als té vroeg.

Voor me fietste een klein meisje met een hele grote tas. Haar glimmende, nieuwe fiets was duidelijk op de groei gekocht. Toen ze bij het stoplicht probeerde één voet op de grond te zetten, gleed ze met enorme tas en al van haar zadel af. Ze slaakte een zenuwachtige giechel. ‘Ach gos,’ dacht ik, ‘brugpieper op haar eerste schooldag.’

Het zette me aan het denken. Aan hoe ik de eerste schooldag altijd vormgaf voor mijn kleine guppen. Ik heette ze welkom, stelde mezelf voor, maakte vaak een paar domme grappen om de spanning van die eerste dag af te halen, maar vertelde ook meteen duidelijk welke regels er in mijn lokaal waren. Er was altijd wel één klein jongetje dat die regels meteen brak door zenuwachtig fluisterend een vraag aan zijn buurjongetje of -meisje te stellen. Die stelde ik dan meteen lekker tot voorbeeld. Er bovenop. “Kun jij me misschien uitleggen wat er net niet helemaal helder was? Volgens mij zei ik heel duidelijk: ‘als ik praat, dan zijn jullie…?'” De eerste maanden de teugels strak aanhouden, dan liep de rest van het jaar wel los. Ik was niet perse streng, wel lekker duidelijk.

Toen ik moest stoppen met werken, brak mijn hart een beetje. “Misschien kun je iets anders gaan doen,” opperde mijn zusje. “Huiswerkbegeleiding bijvoorbeeld?” Ik wilde niets anders gaan doen. Ik wilde voor de klas en anders niet. Juf Suus tot in den eeuwigheid. Het was alsof de liefde van mijn leven mij net gedumpt had en mijn zusje met één of ander suf surrogaat aan kwam zetten en zei: “Ja, maar deze heeft óók bruin haar!” Ik wilde die lamme zak niet, met zijn bruine piekhaar, ik wilde mijn ex terug.

Toen ik eenmaal in het reine was gekomen met het idee dat ik waarschijnlijk nooit meer als geschiedenisdocente aan de bak zou gaan, leek die lamme zak toch ineens een mooi alternatief. Toegegeven, het was niet die mister right die ik achtergelaten had, maar ik werkte weer met pubers, ik kon weer dingen uitleggen, aanleren, afleren soms ook. Ik had weer een doel en een functie en ik draaide weer mee. Het bleef alleen ook nogal veel van me vragen. Met die twee middagen in de week, 3 uur per dag werken, was ik vier volle dagen zoet. Uitrusten, slapen, bijkomen, opladen. Ik gaf een uurtje bijles op een middelbare school. Ik had een klasje van vijftien gymnasiumguppies die meestal vriendelijk knikkend aan het werk gingen wanneer ik dat zei. Die vijftig minuten les kostten me vaak een hele dag hoofdpijn. Het was alles wat ik wilde – weer terug voor de klas – maar het was tegelijkertijd het meest confronterende wat ik kon doen. Het liet mij namelijk zien dat méér er echt niet meer inzat.

Het afgelopen schooljaar ben ik niet meer aan het werk gegaan bij de huiswerkbegeleiding en ook dit nieuwe jaar ga ik niet aan de slag. Ik heb nieuwe dromen, een nieuwe uitdaging. Voordat ik mijn baan opzegde, twijfelde ik nog heel lang of ik niet hartstikke gek was geworden. De kolder in de kop had gekregen. Wat was er mis met mij? Oké, ik kon die prins op het witte paard misschien nooit meer krijgen, maar nam ik dan ook echt geen genoegen meer met een ridder op een ezel? Wilde ik écht vaarwel zeggen tegen het onderwijs, tegen die pubers, tegen juf Suus?

Om eerlijk te zijn heb ik er geen moment spijt van gehad. Ik had het nodig, die huiswerkbegeleiding, om aan mijzelf aan te tonen dat het nog kon. Dat er nog íets mogelijk was. Ik kon nog werken met kinderen en ik had het me niet ingebeeld dat ik goed was met pubers. Ik had ontdekt waar mijn grenzen lagen, wat nog kon, maar ook wat absoluut niet. En blijkbaar was dat voldoende. Blijkbaar was dat wat ik nodig had om het voor eens en voor altijd achter me te laten.

De afgelopen jaren heb ik vaak de onweerstaanbare behoefte gevoeld om weer voor de klas te gaan. Meesterbaan.nl afspeurend naar hypothetische banen, dronken op een bruiloft alle leden van de geschiedenissectie van Lars’ school vragen of ze niet één klein klasje voor mij hadden. En als ik morgen wakker werd zonder hoofdpijn, zonder overprikkeling, zonder gekke kop, dan zou ik zonder met mijn ogen te knipperen in de auto stappen, naar school rijden, de sukkel die mij vervangen heeft de klas uit kieperen en zelf weer mijn lesjes draaien. Maar het zit er niet in en het is oké. Voor het eerst in jaren is het oké.

Ik haalde het meisje in, bedacht me dat bruggers echt ieder jaar kleiner worden, botste bijna op een nieuwe kudde scholieren en koos een nieuwe route die mij niet langs de helft van de Haagse middelbare scholen zou leiden. Het is tot daar aan toe om vrede te hebben met een akelige break-up. De liefde van mijn leven in al zijn eerste-dag-van-het-schooljaar-glorie aanschouwen (met zijn aanstekelijke mix van frisse docenten, uitgeruste leerlingen, schone lokalen en gebakjes in de personeelskamer), is een heel ander verhaal.

2af802b9f167454c5da433efba368792